Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5379

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200705991/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2007, kenmerk 1252612, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 21 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Zonderwijk, herziening Springplank".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705991/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2007, kenmerk 1252612, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 21 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Zonderwijk, herziening Springplank".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2008, waar

[appellant] is verschenen. Verder is gehoord de raad, vertegenwoordigd

door R. Smits, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 130 appartementen en in ruimten voor maatschappelijke doeleinden, detailhandel en zakelijke dienstverlening op de huidige locatie van sporthal de Springplank en gemeenschapshuis 't Tweespan.

2.3. [appellanten], omwonenden, betogen dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Volgens hen neemt door het plan de parkeer- en verkeersdruk nog verder toe en neemt de verkeersveiligheid af. Volgens hen zijn niet alle in dit opzicht relevante aspecten bij het plan betrokken, zoals de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe bedrijven, de gevolgen van de toekomstige herinrichting van het nabijgelegen winkelcentrum en de slechte luchtkwaliteit.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat het plan voorziet in een ondergrondse parkeergarage met 146 parkeerplaatsen en ongeveer 40 parkeerplaatsen op maaiveldniveau. De parkeerbehoefte van het plan is onderzocht met behulp van de parkeernormen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek (hierna: CROW) voor een matig stedelijk gebied. De berekeningen die [appellanten] ter zitting hebben overgelegd om te onderbouwen dat met name de parkeerbehoefte van gemeenschapshuis 't Tweespan groter is dan voorzien, zijn gebaseerd op eigen inschattingen en bieden onvoldoende aanleiding om er aan te twijfelen dat de gehanteerde CROW-normen hier niet representatief zijn. Daarbij is van belang dat het plan grotendeels is gericht op voorzieningen ten behoeve van de bewoners van de wijk. Het gebruik van die CROW-normen voor deze omgeving komt de Afdeling dan ook niet onredelijk voor. Afhankelijk van het uiteindelijk te realiseren aantal appartementen zijn voor de parkeerbehoefte een minimale en een maximale variant berekend. Volgens die berekeningen voorziet het plan geheel of nagenoeg geheel in de eigen parkeerbehoefte. Verder is ter zitting gebleken dat in de directe nabijheid van het plangebied voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.

Bij het opstellen van het plan kon geen rekening worden gehouden met alle toekomstige ontwikkelingen buiten het plangebied, reeds omdat de aard en omvang daarvan op dat moment niet vaststonden. Overigens is ter zitting gebleken dat de gehele wijk heringericht zal worden, waarbij onder meer het parkeren, de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid een rol zullen spelen.

Ten aanzien van de gestelde verslechtering van de kwaliteit van de lucht zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die leiden tot twijfel aan de resultaten van het door het gemeentebestuur van Veldhoven in april 2006 uitgevoerde onderzoek, waarbij op grond van een zogeheten worst-casescenario is berekend dat ter plaatse van de Oortlaan en Mira in de huidige en in de toekomstige situatie wordt voldaan aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005.

2.4. [appellanten] betogen voorts dat de planvoorschriften ten onrechte voorzien in de vestiging van een apotheek, omdat zulke branchebepalingen niet zijn toegestaan in een bestemmingsplan.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat het plan geen bepaling bevat die er toe strekt dat op bepaalde gronden uitsluitend de vestiging van een apotheek is toegelaten. Het beroep mist wat dit betreft feitelijke grondslag. Voor zover [appellanten] vrezen dat ten gevolge van een mogelijke (her-)vestiging van een apotheek extra verkeersoverlast zal ontstaan, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat met de vestiging van een apotheek een verkeersveilige afwikkeling van het verkeer in gevaar komt.

2.5. [appellanten] betogen ten slotte dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de maatvoering van het plan, omdat dit plan een grotere en hogere bebouwing toelaat dan het huidige plan en het bovendien in strijd is met het eigen beleid van het gemeentebestuur om niet meer dan vijf bouwlagen toe te staan. Zij vrezen dat hun privacy wordt aangetast door de inkijk vanuit de appartementen en dat de lichtinval in hun tuinen en woningen afneemt als gevolg van de schaduw van die appartementen. Volgens hen is verder ten onrechte overwogen dat het nabijgelegen winkelcentrum een hoogte van zes bouwlagen rechtvaardigt, omdat dat centrum niet zo hoog is en het na de toekomstige renovatie ook niet zal worden.

2.5.1. Ingevolge het plan is op de hoeken van het appartementencomplex een bouwhoogte toegestaan van 22 meter en op de tussenliggende zijden een hoogte van 18 meter. De afstand tussen dat complex en de woningen aan de Oortlaan bedraagt 37 meter en tot de woningen aan de Van de Hulstlaan 25 meter. Rondom het complex is aan de straatzijde een bomenrij voorzien en voor de meeste omliggende woningen staan al bomen, waardoor mogelijke inkijk vanuit de hoger gelegen appartementen sterk wordt beperkt. Gelet daarop heeft het college in redelijkheid kunnen aannemen dat door de bouwhoogte de privacy van omwonenden niet zodanig vermindert, dat aan dat belang grote betekenis had moeten worden toegekend.

Verder biedt de uitgevoerde zonstudie geen aanknopingspunten om aan te nemen dat door het complex de inval van zonlicht ter plaatse van de omliggende woningen wezenlijk zal worden beperkt. Weliswaar betwisten [appellanten] de uitkomsten van die studie, maar zij hebben geen objectieve gegevens verstrekt om die stelling aannemelijk te maken.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid

van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

157.