Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200802323/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend aan [vergunninghoudster] voor het exploiteren van een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te [plaats] in de omgeving van het Natura 2000 gebied Veluwe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802323/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting Stichting Openbare Ruimte, gevestigd te Amsterdam, en de coöperatie U.A. Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend aan [vergunninghoudster] voor het exploiteren van een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te [plaats] in de omgeving van het Natura 2000 gebied Veluwe.

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Openbare Ruimte en de coöperatie U.A. Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: de stichting en de coöperatie) bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2008, hebben de stichting en de coöperatie de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juni 2008, waar de stichting en de coöperatie, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, werkzaam bij Wösten juridisch advies, en het college, vertegenwoordigd door T. Portegijs, P.F.H.A. Tillie en A. Hoekstra, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.1. Op grond van artikel 2, eerste lid onder a, van de statuten van de stichting heeft de stichting tot doel het streven naar een kwalitatief duurzame leefomgeving voor alle levende wezens, omvattende zowel de lokale, nationale als mondiale leefomgeving.

Hieronder wordt meer concreet verstaan:

- het streven naar een gezond en duurzaam milieu voor zowel mensen, dieren als planten, omvattende zowel de gecultiveerde als de natuurlijke omgeving;

- het streven naar een goede ruimtelijke ordening voor zowel mensen, dieren als planten. Dit omvat mede het bevorderen van een passende biotoop voor flora en fauna en een daarop afgestemde zorg voor natuur en landschap;

- het streven naar een beter welzijn voor landbouwdieren en proefdieren.

Op grond van artikel 2, eerste lid onder a, van de statuten van de coöperatie heeft de coöperatie het doel in overeenstemming met artikel 130r (1) (thans artikel 174) van het EG-milieubeleid, bevorderen van:

- behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

- bescherming van de gezondheid van de mens;

- behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

- het nemen van maatregelen om het hoofd te bieden aan lokale, regionale of mondiale milieuproblemen.

2.1.2. De voorzitter sluit niet op voorhand uit dat geoordeeld moet worden dat de statutaire doelstellingen van de stichting en de coöperatie, zowel in functioneel als in territoriaal opzicht, zo veelomvattend zijn dat deze onvoldoende onderscheidend werken om op grond daarvan te kunnen aannemen dat de belangen van de stichting en de coöperatie rechtstreeks betrokken zijn bij de in het geding zijnde vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998). Ter zitting hebben de stichting en de coöperatie meegedeeld welke feitelijke werkzaamheden zij voor de door hen behartigde belangen verrichten. De voorzitter betwijfelt of de genoemde werkzaamheden voldoende aanknopingspunten bieden voor een inzichtelijke afbakening van de belangen die de stichting en de coöperatie in het bijzonder behartigen. Desondanks gaat de voorzitter er voor de behandeling van dit verzoek vanuit dat de stichting en de coöperatie belanghebbende zijn als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

2.2. [vergunninghoudster] exploiteert een agrarisch bedrijf

in de omgeving van het natuurgebied Veluwe. Het gebied Veluwe is bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: de Vogelrichtlijn). Gelet op artikel V van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen geldt het aanwijzingsbesluit van de Veluwe tot speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn als besluit in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998.

Het gebied Veluwe is verder aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Bij beschikking van 7 december 2004 is dit gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied Veluwe is nog niet aangewezen in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998.

Bij besluit van 21 januari 2008 is aan het bedrijf een revisievergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor het houden van 26 melkkoeien (Rav code A 1.6.1.), 13 stuks vrouwelijk jongvee (Rav code A3), 574 vleesvarkens (Rav code D 3.4.1.), 145 vleesvarkens (Rav code D 3.4.2.), 900 melkgeiten (Rav code C1), 330 opfokgeiten (Rav code C2) en 70 opfokgeiten (Rav code C3). Vaststaat dat dit besluit in rechte onaantastbaar is. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 16 april 2007 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 26 melkkoeien (Rav code A 1.6.1.), 13 stuks vrouwelijke jongvee (Rav code A3), 874 vleesvarkens (Rav code D 3.4.1.) en 145 vleesvarkens (Rav code D 3.4.2.).

2.3. Bij het bestreden besluit heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleend voor het exploiteren van een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te Putten onder de voorschriften dat het aantal te houden dieren maximaal 26 melkkoeien (Rav code A 1.6.1.), 13 stuks jongvee (Rav code A3), 574 vleesvarkens (Rav code D 3.4.1.), 145 vleesvarkens (Rav code D 3.4.2.), 900 melkgeiten (Rav code C1), 330 opfokgeiten (Rav code C2) en 70 opfokgeiten (Rav code C3) bedraagt en de dieren worden gehouden aan de [locatie] te Putten.

2.4. De stichting en de coöperatie kunnen zich niet verenigen met dit besluit. Zij betogen dat het college ten onrechte geen passende beoordeling heeft verricht. De stichting en de coöperatie voeren verder aan dat de stikstofdepositieberekeningen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit gebreken vertonen. Tot slot voeren zij aan dat de vergunning ten onrechte voor onbepaalde tijd en voor een bepaald veebestand is verleend.

2.5. Gelet op het feit dat het bedrijf reeds jaren ter plaatse is gevestigd, het bedrijf beschikt over een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, de thans aangevraagde situatie niet verschilt van de op grond van de Wet milieubeheer vergunde situatie wat betreft de aantallen te houden dieren, zodat op voorhand kan worden aangenomen dat de feitelijke ammoniakdepositie in de aangevraagde situatie niet zal toenemen ten opzichte van de op grond van de Wet milieubeheer vergunde situatie en in ogenschouw genomen de betrokken belangen, ziet de voorzitter onvoldoende reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008

466.