Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200707375/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2007:BB8740, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) de bij besluit van 30 mei 1990 aan [appellant] en [partij] verleende bouwvergunning met nr. […] voor het geheel oprichten van een warenhuis op het perceel aan de Langeweg nabij nr. 7 te Rockanje, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707375/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4925 van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) de bij besluit van 30 mei 1990 aan [appellant] en [partij] verleende bouwvergunning met nr. […] voor het geheel oprichten van een warenhuis op het perceel aan de Langeweg nabij nr. 7 te Rockanje, ingetrokken.

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 september 2007, verzonden op 11 september 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door K.M. van Klaveren-van der Houwen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bouwvergunning van 30 mei 1990 ziet op het oprichten van een warenhuis ten behoeve van de glastuinbouw met een omvang van 17.929 m². Op 19 maart 2005 zijn de hoekpunten van de kas uitgezet en zijn vier funderingspalen geplaatst. Bij brief van 23 maart 2005 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat het voornemens is de bouwvergunning van 30 mei 1990 in te trekken. In september 2005 en maart 2006 zijn eveneens bouwwerkzaamheden verricht. Ten tijde van het intrekkingsbesluit van 3 mei 2006 was een casco zonder glas opgericht met een oppervlakte van ongeveer 2.000 m².

2.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken:

c. indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden;

d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen.

Ingevolge artikel 4.1, onder a, van de bouwverordening van de gemeente Westvoorne (hierna: de bouwverordening) kan het college op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt.

Ingevolge artikel 4.1, onder b, is de termijn als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder d, van de Woningwet bepaald op een aaneengesloten periode van 26 weken tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college in beginsel bevoegd was de bouwvergunning in te trekken, heeft miskend dat zich geen van de in artikel 59, eerste lid, van de Woningwet limitatief opgesomde gronden voor intrekking van een bouwvergunning heeft voorgedaan. Hij wijst er in dit verband op dat hij op 19 maart 2006, en derhalve vóór het besluit tot intrekking, is begonnen met bouwwerkzaamheden om uitvoering te geven aan de bouwvergunning. Dat hij daarbij niet overeenkomstig de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden heeft gehandeld, kan volgens hem, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bij de vraag of het college bevoegd was tot intrekking van de bouwvergunning geen rol spelen, zomin als de vraag of de bouwwerkzaamheden zijn gericht op de totstandkoming van het volledige bouwwerk of slechts op behoud van het recht om te bouwen.

2.3.1. Het betoog slaagt niet. De bouwvergunning van 30 mei 1990 is na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift onherroepelijk geworden. Eerst op 19 maart 2005, en derhalve niet binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn van 26 weken, is een begin gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Het college was dan ook ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet gelezen in samenhang met artikel 4.1, onder a, van de bouwverordening bevoegd tot intrekking van de bouwvergunning van 30 mei 1990.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank de omstandigheid dat in afwijking van de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden is begonnen met de bouwwerkzaamheden, slechts vermeld in het kader van het vaststellen van de feiten. Voorts heeft de rechtbank terecht de omstandigheid dat met de bouwwerkzaamheden is begonnen vóór de intrekking van de bouwvergunning en de vraag of deze werkzaamheden al dan niet zijn gericht op de totstandkoming van het volledige bouwwerk, slechts betrokken bij de beantwoording van de vraag of het college in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekken van de bouwvergunning gebruik heeft kunnen maken.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door bevestigend te antwoorden op de vraag of de bouwvergunning in redelijkheid kon worden ingetrokken, heeft miskend dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Hij voert hiertoe aan dat hij een groot belang heeft bij het in stand houden van de bouwvergunning, omdat realisering van de kas nodig is voor het voortbestaan van het bedrijf. Voorts voert hij aan dat het college pas tot intrekking is overgegaan, nadat namens hem bij het college was gevraagd of nog van de bouwvergunning gebruik kon worden gemaakt. Dat het planologisch beleid van de gemeente is gewijzigd, had in de belangenafweging geen rol mogen spelen, omdat dit beleid inconsistent is en bovendien reeds in 2000 is gewijzigd en het college toen geen aanleiding heeft gezien de bouwvergunning in te trekken, aldus [appellant]. Tenslotte is periodiek onderbreken van de bouwwerkzaamheden volgens hem toegestaan.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 mei 2006 in zaak nr. 200504650/1) is de intrekking van een bouwvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij hantering van die bevoegdheid moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren naast de door het college gestelde belangen ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. In dat kader dient tevens de vraag te worden beantwoord of het niet tijdig gebruik maken van de bouwvergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. Wijziging van het planologisch regime waaraan de bouwvergunning eertijds is getoetst, kan een redelijk belang kan vormen om tot intrekking over te gaan. Dat betekent evenwel niet dat andere belangen daarnaast geen (eventueel doorslaggevende) rol van betekenis zouden kunnen spelen.

2.4.2. In dit geval heeft het college in de eerste plaats een wijziging van het planologisch regime aan de intrekking ten grondslag gelegd. Het heeft zich in het besluit van 3 november 2006 op het standpunt gesteld dat de belangen van de gemeente en omwonenden prevaleren boven die van [appellant], omdat realisering van een warenhuis ten behoeve van de glastuinbouw met een omvang van 17.929 m² zeer ongewenst is gezien het huidige beleid ten aanzien van glastuinbouw buiten het intensiveringsgebied. Het heeft gewezen op de Nota Glastuinbouw in Westvoorne van 26 april 2006 (hierna: de Nota), waarin dit beleid is neergelegd, en op de voorbereidingsbesluiten die in december 2004, mei 2005 en februari 2006 zijn genomen ten behoeve van het landelijk gebied. Ter zitting heeft het college hieraan toegevoegd dat in september 2007 weer een voorbereidingsbesluit is genomen, dat nog steeds van kracht is.

Niet valt in te zien dat dit beleid, zoals [appellant] betoogt, niet overeenkomt met het Convenant glastuinbouw binnenduinrand Westvoorne van 28 juni 2000, nu in de Nota rekening wordt gehouden met hetgeen op basis van dat convenant is bereikt. Dat het college niet reeds in 2000 de bouwvergunning heeft ingetrokken, valt terug te voeren op de omstandigheid dat het college eerst eind 2004 actief is gaan optreden met betrekking tot niet-gebruikte bouwvergunningen, zoals blijkt uit de publicatie van dit beleid in december 2004. In het kader van dit beleid heeft het college op 23 maart 2005 aan [appellant] aangekondigd voornemens te zijn de bouwvergunning uit 1990 in te trekken, waarna vervolgens nog een jaar is gewacht alvorens van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt. Dat namens [appellant] bij het college is geïnformeerd naar de geldigheid van de bouwvergunning, maakt niet dat het college van zijn beleid ten aanzien van niet-gebruikte bouwvergunningen heeft moeten afwijken.

2.4.3. Voorts heeft het college, anders dan [appellant] betoogt, in het besluit van 3 november 2006 zijn belangen voldoende bij de afweging betrokken. Terecht heeft het college daarbij mede in aanmerking genomen dat gedurende 15 jaar geen bouwactiviteiten hebben plaatsgevonden en dat [appellant], hoewel hij wist dat het college de bouwvergunning wilde intrekken, niet is overgegaan tot realisering van het warenhuis. Eveneens terecht is het college ervan uitgegaan dat niet aannemelijk is dat, zoals [appellant] betoogt, die realisering nodig is voor het voortbestaan van het bedrijf, omdat het bedrijf sinds 1990 heeft bestaan zonder het warenhuis en [appellant] geen plannen heeft tot exploitatie van de kas, maar slechts bouwwerkzaamheden van, in verhouding tot hetgeen ingevolge de verleende bouwvergunning was toegestaan, geringe omvang heeft verricht om de bouwvergunning te kunnen behouden, hetgeen hij ter zitting heeft bevestigd. Dat artikel 59, eerste lid, onder d, gelezen in samenhang met artikel 4.1, onder b, van de bouwverordening het mogelijk maakt gedurende een periode van maximaal 26 weken de bouwwerkzaamheden te onderbreken, maakt niet dat het college een groter gewicht had moeten hechten aan het belang van [appellant].

2.4.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht geen aanknopingspunt heeft gezien voor het oordeel dat het college, gelet op de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot intrekking van de bouwvergunning heeft kunnen overgaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

17-488.