Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5349

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200707288/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707288/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/8210 van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 september 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2007, verzonden op 6 september 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2008, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door S.M.P.J. van der Sman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is voorzien op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Boerenburg" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Eengezinshuizen, villa's met bijbehorende erven (EV)" rust. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de aan de woning gebouwde garage onderdeel wordt van de woning en het bouwplan daardoor niet voldoet aan de eis dat de som van de afstanden van ieder huis tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 10 m zal bedragen. Partijen verschillen van mening over de totale afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen na realisering van het bouwplan, maar zij zijn het erover eens dat die afstand weliswaar niet voldoet aan de 10 m eis, doch in ieder geval meer dan 9 m bedraagt. Het college heeft vrijstelling verleend krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan ook op twee andere punten in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren hiertoe aan dat het bouwplan buiten het bebouwingsvlak is gelegen en dat de goothoogte hoger is dan volgens de planvoorschriften is toegestaan.

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f, van de planvoorschriften mag de goothoogte van ieder huis ten hoogste 7 m bedragen. Het bouwplan voldoet aan die eis.

Voorts is op de plankaart af te lezen dat een deel van de erker van de woning buiten het bebouwingsvlak is gelegen. Het bouwplan, dat niet op de erker ziet, is geheel binnen het bouwvlak geprojecteerd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen sprake is van bebouwing buiten het bouwvlak.

2.3. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat het college geen vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO mocht verlenen, omdat die vrijstelling in strijd is met de op 22 juni 2004 door het college vastgestelde "Beleidsnota Artikel 19, lid 3, WRO" (hierna: de beleidsnota). Zij wijzen er in dit verband op dat in de beleidsnota is vermeld dat in het bestemmingsplan geen algemene vrijstellingsmogelijkheid van 10% is opgenomen en dat er geen aanleiding is deze norm via de artikel 19-vrijstelling te introduceren, terwijl het college in dit geval toch een dergelijke vrijstelling heeft verleend voor een afwijking van de minimale totale afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen, aldus [appellanten].

2.3.1. Dit betoog is terecht aangevoerd, maar leidt niet tot het daarmee beoogde resultaat. Het college heeft zich in het primaire besluit terecht op het standpunt gesteld dat de minimale afstand van 10 m, als som van de afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen, in het bestemmingsplan is opgenomen om de openheid te waarborgen tussen de woningen. Het heeft erop gewezen dat in dit geval de openheid hetzelfde blijft, omdat de bestaande bebouwing in de breedte niet wordt vergroot, en de huidige garage op iets meer dan 3 m van de perceelsgrens staat, welke afstand in het bouwplan hetzelfde blijft en ook in overeenstemming met de planvoorschriften is. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de vrijstelling kon verlenen. In dit verband is van belang dat, zoals door het college is gesteld, het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt om een bijgebouw tot aan de perceelsgrens te bouwen. Voorts heeft het college uiteengezet dat, zoals in de beleidsnota is vermeld, het beleid is vastgesteld om te grote inbreuken op het tot dan toe gevoerde planologische beleid te voorkomen en omdat het ongewenst is dat de nieuwe mogelijkheden die de gewijzigde WRO biedt, worden benut voor een drastische koerswijziging op planologisch en stedenbouwkundig gebied. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van dergelijke inbreuken of koerswijzigingen, omdat immers slechts door wijziging van het gebruik strijd met het bestemmingsplan is ontstaan. De omstandigheid dat het bestemmingsplan niet voorziet in een algemene vrijstellingsbevoegdheid bij afwijkingen tot 10% is niet relevant.

2.4. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd met betrekking tot het provinciaal beleid zoals vervat in het Streekplan Zuid-Holland West, is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid in dat beleid geen beletsel heeft hoeven te zien om de vrijstelling te verlenen.

2.5. Evenmin is in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd met betrekking tot de aantasting van het uitzicht en het verlies van openheid grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de gemaakte belangenafweging niet in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen besluiten.

2.6. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwvergunning had moeten worden geweigerd, omdat geen vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO mocht worden verleend en het college niet bevoegd is voor het bouwplan vrijstelling krachtens artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO te verlenen - wat hiervan zij -, faalt, reeds omdat het onder 2.3.1 tot en met 2.5 overwogene leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid voor het bouwplan vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO heeft kunnen verlenen.

2.7. Ten slotte betogen [appellanten] dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken dat het welstandsadvies van 27 september 2005 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, heeft miskend dat sprake is van een motiveringsgebrek, zodat niet vaststaat dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij wijzen in dit verband op het negatieve welstandsadvies van 5 juli 2005. Zij voeren aan dat uit het tweede welstandsadvies niet blijkt dat het bouwplan is gewijzigd en dat daaruit evenmin blijkt of aan de opmerkingen uit het eerdere, negatieve, advies is tegemoetgekomen. Bovendien, zo voeren zij aan, hebben zij het gewijzigde bouwplan niet kunnen inzien.

2.7.1. Ook dit betoog slaagt niet. In het welstandsadvies van 5 juli 2005 is vermeld dat het betrekking heeft op een principeplan en derhalve niet op het bouwplan waarvoor bij besluit van 1 maart 2006 vrijstelling en bouwvergunning is verleend. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat naar aanleiding van het welstandsadvies van 5 juli 2005 een gewijzigd bouwplan is ingediend. Op 27 september 2005 heeft de welstandscommissie een positief advies uitgebracht over dit bouwplan. Nu voorts in het besluit van 1 maart 2006 is vermeld dat de aanvraag vanaf 7 december 2005 vier weken ter inzage heeft gelegen en dat [appellanten] daartegen een zienswijze hebben ingediend, kan hun betoog dat zij het gewijzigde bouwplan niet zouden hebben kunnen inzien, niet worden gevolgd.

Dat uit het welstandsadvies van 27 september 2005 niet blijkt dat het bouwplan tegemoet komt aan de bezwaren van de welstandscommissie tegen een eerder bouwplan, leidt, anders dan [appellanten] betogen, niet tot het oordeel dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, te minder daar [appellanten] niet ter onderbouwing van hun betoog een rapport van een terzake deskundige hebben overgelegd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat het bouwplan niet zou voldoen aan redelijke eisen van welstand.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

17-488.