Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200802241/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit, gedateerd 19 februari 2008, heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Marum (hierna: de raad) bij besluit van 27 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Poort II, gemeente Marum".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802241/2.

Datum uitspraak: 17 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit, gedateerd 19 februari 2008, heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Marum (hierna: de raad) bij besluit van 27 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Poort II, gemeente Marum".

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2008. Bij eerstgenoemde brief hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juni 2008, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door E.J. van der Kooi, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door G.H.F. Postma, S. van Dijk en S. Ploeg, allen ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de verwezenlijking van een bedrijventerrein ten oosten van de Noorderweg, tussen rijksweg A7 en de kern Marum en aansluitend op het bestaande bedrijventerrein De Poort I. Het plangebied heeft een oppervlakte van ruim zes hectare. Met het bedrijventerrein wordt beoogd nieuwe vestigingsmogelijkheden te bieden voor bedrijven waarvan de huidige vestigingsplaats om bedrijfseconomische, landschappelijke en milieutechnische redenen niet meer voldoet.

2.3. [verzoeker] en anderen stellen dat het college het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan na inwerkingtreding van het plan, te voorkomen.

Zij voeren aan dat het bedrijventerrein alsmede de wijze van ontsluiting in de zuidelijke uitloper van het terrein zullen leiden tot een verdere verslechtering van de verkeersveiligheid op de Noorderweg en tot een toename van de reeds vanwege die weg ondervonden verkeershinder. Daarbij wijzen zij op de geluidsituatie en de luchtkwaliteit. Voor de wijze van ontsluiting bestaan volgens hen andere mogelijkheden. Verder zullen voor de aanleg van het bedrijventerrein waardevolle historische houtsingels moeten worden verwijderd, aldus [verzoeker] en anderen. Ten slotte is volgens hen de noodzaak voor het bedrijventerrein onvoldoende aangetoond.

2.4. Niet in geschil is dat de aanleg van het bedrijventerrein tot een hogere verkeersdruk op de Noorderweg zal leiden. Verder zal de verkeerssituatie ter hoogte van de woningen Noorderweg 18 en 20 door de tussen die percelen aan de overzijde van de Noorderweg voorziene toegang tot het bedrijventerrein veranderen. Ook zullen verschillende houtsingels voor de aanleg van het terrein worden verwijderd.

2.4.1. Naar de gevolgen van het plan voor de geluidsituatie is door Stroop raadgevende ingenieurs B.V. (hierna: Stroop B.V.) onderzoek gedaan hetgeen heeft geresulteerd in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai reconstructie bestemmingsplan De Poort II te Marum" van 7 mei 2007. Dit rapport is als bijlage bij het plan gevoegd. De verkeersintensiteit en -samenstelling op de Noorderweg zijn ontleend aan verkeerstellingen uit maart 2007 en de geluidniveaukaart uit 2005. Er is een autonoom groeipercentage van 3 gehanteerd. De etmaalintensiteiten zijn zonder de invloed van het bestemmingsplan berekend op 6.696 in 2006 en 9.268 in 2017. De verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein is aan de hand van verschillende uitgangspunten bepaald op 948 motorvoertuigen per etmaal. In hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij het nemen van het goedkeuringsbesluit niet op de vorenvermelde aantallen, die voor zover het betreft de verkeersintensiteit enigszins hoger zijn dan in de plantoelichting zelf is aangegeven, heeft mogen baseren. Voorts ziet de voorzitter in de door [verzoeker] en anderen overgelegde notitie van Akoestisch Adviesbureau Vrancken van 29 mei 2008 geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken vertoont dat het college zich daarop niet heeft mogen baseren. Uit het onderzoek van Stroop B.V. volgt dat de geluidbelasting voor veertien woningen aan de Noorderweg vanwege de aansluiting van het bedrijventerrein op de Noorderweg zal toenemen met 2dB(A) of meer. Door toepassing te geven aan een stiller wegdektype (steenmastiekasfalt 0/6), waartoe de raad op 27 juni 2007 heeft besloten, zal de geluidbelasting voor deze woningen met niet meer dan 1,4 dB(A) toenemen. Daarbij overweegt de voorzitter nog dat in het akoestisch onderzoek is gerekend met de ruime aanname dat al het extra verkeer zich in beide richtingen zal voordoen. Hij ziet voorshands niet in dat het college zich ten onrechte op het standpunt zou hebben gesteld dat, in aanmerking genomen de beslissing over te gaan tot het aanbrengen van stiller asfalt, van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder geen sprake is. Hij ziet voorts anderszins geen aanknopingspunten voor de verwachting dat de aanleg van het bedrijventerrein tot gevolg heeft dat de geluidsituatie ter plaatse van de woningen van [verzoeker] en anderen onaanvaardbaar zal verslechteren.

2.4.2. Naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit is door Stroop B.V. onderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Toetsen bestemmingsplan De Poort II te Marum aan het Besluit luchtkwaliteit 2005" van 8 mei 2007. Uit het onderzoek volgt dat het bestemmingsplan niet zal leiden tot een overschrijding van de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 opgenomen grenswaarden. In hetgeen [verzoeker] en anderen ter zitting hebben gesteld, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek zodanige gebreken vertoont dat het college zich bij het nemen van het goedkeuringsbesluit niet daarop heeft mogen baseren.

2.4.3. De voorzitter acht, mede gelet op de hiervoor aangegeven verkeersintensiteiten, niet aannemelijk gemaakt dat de Noorderweg niet zal kunnen voorzien in een veilige afwikkeling van het extra verkeer van het voorziene bedrijventerrein. Dat zich op het gedeelte van de Noorderweg ter hoogte van het bedrijventerrein thans verhoudingsgewijs veel ongelukken voordoen acht hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het plan staat bovendien aan het treffen van maatregelen ter bevordering van de verkeersveiligheid niet in de weg.

2.4.4. Met het oog op de bescherming van in het plangebied voorkomende houtsingels is voor verschillende van die houtsingels voorzien in de bestemming "Waardevolle beplanting". Deze houtsingels bevinden zich op de noordelijke en oostelijke grens en ten dele op de westelijke grens van het plangebied alsmede in noord-zuidelijke richting op de oostelijke helft van het bedrijventerrein. Op deze gronden mogen geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Uit de plantoelichting volgt dat deze houtsingels, waar nodig, door nieuwe aanplant zullen worden gerepareerd en verdicht. Voorts is met de bestemming "Water" voorzien in het behoud van de in noord-zuidelijke richting lopende watergang en bevinden zich aan de zuidzijde van het plangebied plandelen met de bestemming "Groenvoorzieningen" waar waterberging en afschermende randbeplanting zijn voorzien.

Uit deze opzet van het bedrijventerrein volgt dat ook het behoud van belangrijke groene en blauwe elementen in het gebied wordt beoogd. Voorts is voorzien in mogelijkheden om het terrein naar het omliggende open gebied toe groen af te schermen. In hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd, ziet de voorzitter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat aan die delen van de houtsingels die voor de aanleg van het bedrijventerrein verwijderd dienen te worden, zodanige bijzondere waarden toekomen dat deze behouden dienen te blijven.

2.4.5. Naar de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten in het gebied is in 2003 onderzoek gedaan door Buro Bakker, adviesburo voor ecologie B.V.. Dit onderzoek is in 2007 geactualiseerd. In hetgeen [verzoeker] en anderen in dit kader naar voren hebben gebracht ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit onderzoek en deze actualisatie heeft mogen baseren. Daarbij neemt hij in aanmerking dat, hoewel de noodzaak daartoe niet volgt uit de uitgevoerde actualisatie, de mogelijkheid bestaat om onder bepaalde voorwaarden voor beschermde dier- en plantensoorten ontheffing te verlenen. Voorshands is de voorzitter er niet van overtuigd dat een eventueel benodigde ontheffing op grond van de Flora- en faunawet voor de verwezenlijking van het plan niet zal kunnen worden verkregen.

2.4.6. De voorzitter ziet voorts voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met de zuidelijke uitloper van het bedrijventerrein en de daarin opgenomen ontsluitingsweg heeft kunnen instemmen.

De uitloper bevindt zich ten opzichte van de percelen Noorderweg 18 en 20 aan de overzijde van de weg. De afstand tussen het bouwvlak voor de bestemming "Bedrijven" en de gevels van de woningen op de percelen Noorderweg 18 en 20 is, op de plankaart gemeten, ongeveer 60 respectievelijk 35 meter. Op het meest nabijgelegen bestemmingsvlak "Bedrijven" zijn in beginsel alleen bedrijven uit de categorieën 1 en 2 toegelaten.

Een door [verzoeker] als alternatief genoemde meer noordelijke ligging van de ontsluitingsweg zou ertoe leiden dat deze direct tegenover de woning op het perceel Noorderweg 20 uitkomt en zou de omvang en de gebruiksmogelijkheden van de bedrijfspercelen in de zuidelijke uitloper aanzienlijk kunnen beperken.

2.4.7. Voor zover [verzoeker] en anderen ter zitting hebben verwezen naar artikel 2.17 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) met het oog op de daarin gegeven maximale geluidniveaus op de gevels van gevoelige gebouwen op een bedrijventerrein, overweegt de voorzitter dat de bouw van dienstwoningen op gronden met de bestemming "Bedrijven" alleen met vrijstelling mogelijk gemaakt kan worden. Bij de beoordeling van een verzoek om vrijstelling zal moeten worden bezien of aan de maximale geluidniveaus die het artikel noemt, kan worden voldaan en of de bouw van een dienstwoning niet zal leiden tot ongewenste beperkingen van de mogelijkheden bedrijven op te richten dan wel bestaande uit te breiden.

2.4.8. Wat betreft de noodzaak van de aanleg van het bedrijventerrein ziet de voorzitter geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de raad dat bij bedrijven uit het Westerkwartier en omgeving voldoende vraag is naar nieuwe bedrijfslocaties. Bij de plantoelichting is een lijst gevoegd met daarop de namen van 31 ondernemers die hun interesse in een bedrijfskavel kenbaar hebben gemaakt.

2.4.9. Gelet op het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat het college de belangen die zijn betrokken bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein, niettegenstaande de hiervoor beschreven gevolgen, in redelijkheid doorslaggevend heeft kunnen achten. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2008

371.