Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
200706942/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2007, kenmerk 1265622, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Halderberge bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiele herziening bestemmingsplan buitengebied, deelgebieden Hoeven en Oudenbosch, Bovenstraat 51".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706942/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2007, kenmerk 1265622, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Halderberge bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiele herziening bestemmingsplan buitengebied, deelgebieden Hoeven en Oudenbosch, Bovenstraat 51".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van burgemeester en wethouders van Halderberge heeft een nadere memorie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2008, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de raad van de gemeente Halderberge, vertegenwoordigd door R.C.M. de Beer, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een splitsing van de bestemming van het perceel Bovenstraat 51 in een plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" en een plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)".

2.3. [appellanten] betogen dat het las- en constructiebedrijf op het perceel veel grootschaliger is dan aan hen eerder is voorgespiegeld en dat met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" ten onrechte de legalisering van een illegaal opgerichte las- en constructieloods wordt mogelijk gemaakt. Volgens hen komen de in het plan toegestane vergrotingen van het bouwvlak neer op een beloning voor illegaal gedrag en ontbeert het plan een goede ruimtelijke onderbouwing. In dat verband betogen zij dat het plan tot onaanvaardbare aantasting leidt van zowel het open landschap en uitzicht als van hun woon- en leefklimaat. Verder is volgens hen de bedrijfsbestemming te ruim en is de mogelijkheid van buitenopslag in het plan te onbepaald.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat het vorige plan al voorzag in een perceel ten behoeve van een las- en constructiebedrijf met een bouwblok van 425 m2 . Dat plan biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat daar uitsluitend kleinschalige bedrijvigheid zou zijn toegestaan. Voor zover dat plan al niet zou stroken met de uitlatingen die het college van burgemeester en wethouders destijds zou hebben gedaan over de aard en de omvang van de toelaatbaar geachte bedrijvigheid, zoals [appellanten] stellen, dan hadden zij op dat moment de toen bestaande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen aanwenden om de rechtmatigheid van dat plan te betwisten. In deze procedure betreffende het besluit van 14 augustus 2007 is de rechtmatigheid van het vorige plan echter een gegeven en moet er dus van worden uitgegaan dat er vanaf 1997 op het perceel een bouwblok van 425 m2 was waarop de vestiging van een las- en constructiebedrijf was toegestaan.

Het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" bevat een bouwblok van 487,5 m2, hetgeen een vergroting ten opzichte van het vorige plan is van nagenoeg 15%. Die vergroting steunt op paragraaf 3.4.14 van het geldende streekplan Noord-Brabant 2002, op grond waarvan het bestaande, niet aan het buitengebied gebonden bedrijven wordt toegestaan éénmalig het bouwblok te vergroten met maximaal 15%. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd over illegale activiteiten van het las- en constructiebedrijf, wat daar ook van zij, vormt in planologisch opzicht onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de in het streekplan opgenomen éénmalige vergrotingsmogelijkheid van 15% niet kon worden benut en om de in planvoorschrift 9.1 opgenomen flexibiliteitsbepaling van 10%, die ook in vele andere bestemmingsplannen is opgenomen, niet in stand te laten. Ter zitting is door de raad overigens uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de eindomvang van het bedrijf nu is bereikt en dat verdere vergroting niet zal worden toegestaan.

In het kader van de totstandkoming van het plan zijn de hinder- en milieuaspecten van het las- en constructiebedrijf onderzocht. Het college heeft op grond daarvan aangenomen dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd als het huidige gebruik wordt voortgezet. In hetgeen hiertegen door [appellanten] is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat het college zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", die ingevolge planvoorschrift 4.1 zowel bedrijven als detailhandel toelaat, door de planvoorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.5 in die zin is beperkt, dat alleen een constructiewerkplaats is toegestaan en dat de mogelijkheid van detailhandel daaraan volledig ondergeschikt is. Het college heeft zich wat dit betreft in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de krachtens het plan toegestane detailhandel geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het leefklimaat in de omgeving van het plan. Daarnaast is ingevolge planvoorschrift 4.2.4 buitenopslag alleen toegestaan binnen het onbebouwde erf, waar dit op de kaart is aangegeven met de aanduiding "Op". Op grond van de plankaart is het duidelijk dat buitenopslag alleen is toegestaan binnen de vierhoek aan de noordzijde van de loods. Dat in strijd daarmee elders op het buitenterrein opslag heeft plaatsgevonden, is een aspect dat betrekking heeft op de naleving van het plan en staat als zodanig niet ter beoordeling in deze procedure over de rechtmatigheid van het besluit omtrent goedkeuring van het plan.

2.4. [appellanten] betogen voorts dat de voormalige varkensloods, die staat op gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)", ten onrechte wordt gebruikt ten behoeve van het las- en constructiebedrijf en dat die loods ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht.

2.4.1. Vast staat dat het bedrijfsmatige gebruik van de voormalige varkensloods daadwerkelijk is gestaakt. Deze loods heef geen bedrijfsbestemming meer en mag vanwege hetgeen hiervoor over de oppervlakte van het bedrijf is overwogen ook niet meer als zodanig worden gebruikt. Tegen gebruik van die loods voor bedrijfsdoeleinden kan handhavend worden opgetreden.

Niet is in geschil dat de oppervlaktebepalingen in paragraaf 3.3 van de planvoorschriften niet toelaten dat de bestemming "Woondoeleinden (W)" naast de woning en de garage ook nog wordt toegekend aan die loods. Met het oog op die oppervlaktebepalingen zijn er op het perceel enkele voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. In de gegeven omstandigheden is de loods niet ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

2.4.2. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Stolker

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008

157.