Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
200703609/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beemster (hierna: de raad) bij besluit van 28 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bestemmingsplan Agrarische Hulpbedrijven Beemster 2003".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703609/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beemster (hierna: de raad) bij besluit van 28 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bestemmingsplan Agrarische Hulpbedrijven Beemster 2003".

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Het college van burgemeester en wethouders heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende], wonende te [plaats], een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2008, waar [appellant], [gemachtigde] en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad van de gemeente Beemster, vertegenwoordigd door mr. T.J.W. Bult, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. In het bestemmingsplan zijn de definitie van agrarisch hulpbedrijf en de voorschriften van de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" verruimd zodat ook activiteiten die verwantschap hebben met de loonbedrijfbranche in het onderhavige bestemmingsplan onder de definitie van agrarisch hulpbedrijf vallen.

2.3. Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond dat het perceel [locatie 1] ten onrechte niet in het plan is opgenomen, ingetrokken.

2.4. [appellant] en anderen stellen dat het plan op het perceel [locatie 2] ten onrechte voorziet in een verruiming van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarische hulpbedrijven".

2.4.1. Zowel uit het deskundigenbericht als uit een nader stuk van het college van burgemeester en wethouders volgt dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 2] in het onderhavige bestemmingsplan even groot is en niet is verschoven ten opzichte van het gelijknamige bestemmingsvlak in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994".

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] en anderen voeren verder aan dat het bestemmingsplan ten onrechte een uitbreiding van het bedrijf van [belanghebbende] (hierna: het loonbedrijf) aan de [locatie 2], mogelijk maakt en dat het bestemmingsvlak te klein is voor de activiteiten en het machinepark van het loonbedrijf, met als gevolg overlast voor [appellant] en anderen. In dit verband wijzen zij er op dat machines op de openbare weg worden geplaatst, bepaalde machines dag en nacht in gebruik zijn en transportwagens vierentwintig uur per dag af en aan rijden. Voorts wijzen [appellant] en anderen er op dat de afstand van het loonbedrijf tot de woonbebouwing te klein is, te weten slechts enkele meters. In dit kader is volgens hen van belang dat op het gehele perceel hinderveroorzakende activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast stellen [appellant] en anderen dat uit het feit dat [belanghebbende] en het gemeentebestuur de intentie hebben om het loonbedrijf te verplaatsen naar een locatie die drie keer zo groot is als het huidige bedrijfsterrein aan de [locatie 2], blijkt dat het huidige terrein veel te klein is voor het loonbedrijf.

2.5.1. Het loonbedrijf is sinds 1958 op het perceel [locatie 2] gevestigd. Volgens het deskundigenbericht is het loonbedrijf vanaf 1987 gestaag uitgebreid en is het zich ook gaan richten op de uitvoering van loonwerk buiten de agrarische sector. Dit had met name te maken met de seizoensgebondenheid van agrarisch loonwerk en het voorkomen van stilstand van de grotere en duurdere machines en werktuigen die in de agrarische sector in gebruik raakten.

2.5.2. Aan het perceel van het loonbedrijf is zowel in het voorheen geldende plan als in het onderhavige bestemmingsplan de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" toegekend.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, sub x, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994" is een agrarisch hulpbedrijf een bedrijf dat een deelbewerking verricht van de agrarische productie.

Artikel 2 van de voorschriften van het onderhavige plan wijzigt voor de plandelen die zijn opgenomen in het onderhavige plan onder meer artikel 1, eerste lid, sub x, en artikel 7 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994".

Ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften wordt onder agrarisch hulpbedrijf of agrarisch loonbedrijf verstaan een bedrijf dat op de locatie met de daarbij passende bestemming uitsluitend of in overwegende mate gericht is op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven.

Voorts zijn ingevolge deze bepaling de op de plankaart voor "Agrarische hulpbedrijven" (AHu) aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch hulpbedrijf met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder bedrijfswoningen, en open terreinen, waaronder, opslag-, los-, laad-, en parkeerplaatsen.

Uit het vorenstaande volgt dat de raad het toegestane gebruik op de plandelen met de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" en daarmee op het perceel [locatie 2] met het onderhavige plan heeft uitgebreid. Dit heeft tot gevolg dat niet-agrarische activiteiten die gebruikelijk zijn in de loonbedrijfbranche en die op het perceel [locatie 2] plaatsvinden, in het onderhavige plan als zodanig zijn bestemd.

2.5.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat het loonbedrijf zodanig is gegroeid dat de noodzaak tot uitbreiding van het bedrijfsterrein en de bedrijfsbebouwing al jaren bekend is. In 2000, het jaar waarin [belanghebbende] een bouwvergunning heeft aangevraagd voor de bouw van een loods, heeft het gemeentebestuur erkend dat een uitbreiding van het bedrijfsterrein en de bedrijfsbebouwing noodzakelijk is om het machine- en werktuigenpark te kunnen huisvesten. [belanghebbende] heeft echter geen bouwvergunning verkregen voor de uitbreiding van zijn bedrijfsbebouwing en evenmin een uitbreiding van zijn bedrijfsterrein kunnen realiseren. De hierop betrekking hebbende onderdelen waren weliswaar in het voorontwerpbestemmingsplan opgenomen maar zijn in het ontwerpbestemmingsplan vervallen naar aanleiding van kritische opmerkingen hieromtrent van het provinciebestuur, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Met het onderhavige plan worden dan ook de bouw van een loods en de uitbreiding van het bedrijfsterrein planologisch niet mogelijk gemaakt.

Als gevolg van het vorenstaande is volgens het deskundigenbericht op dit moment sprake van een plandeel met de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 2] dat veel te klein is om alle agrarische machines en werktuigen van het bedrijf te kunnen huisvesten. Dit heeft volgens het deskundigenbericht, mede gelet op het feit dat de bestaande grote loods te laag is voor grote landbouwmachines, als consequentie dat deze machines op de schaarse buitenruimte moeten staan en dat onder meer onderhouds- en reparatieactiviteiten buiten moeten worden uitgevoerd. Dit leidt tot geluidsoverlast voor omwonenden, aldus het deskundigenbericht. De afstanden van het bedrijfsterrein tot de woningen van [appellant], Noome, en Kruitbosch bedragen respectievelijk ongeveer 4, 33 en 76 meter. Ook zal vanwege het ruimtegebrek het open terrein ten westen van de kleine loods volgens het deskundigenbericht regelmatig intensief bij de bedrijfsactiviteiten worden betrokken terwijl de afstand van daar tot de woning van [appellant] ongeveer 15 meter bedraagt.

In het deskundigenbericht wordt gesteld dat de omvang van het bedrijf in verhouding tot de geringe beschikbare terrein- en bebouwingsoppervlakte en de hiermee samenhangende verkeers- en parkeerintensiteiten op zowel het bedrijfsterrein als de aangrenzende delen van de Jisperweg mede gelet op de geringe afstanden tot de woningen van [appellant] en anderen, de belangrijkste oorzaak is van de door [appellant] en anderen ervaren overlast.

In het deskundigenbericht is verder vermeld dat [belanghebbende] zijn bedrijf wil verplaatsen naar een andere locatie in de gemeente.

2.5.4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het feitelijk weinig verschil maakt of activiteiten plaatsvinden voor agrarische of niet-agrarische opdrachtgevers. Voorts stellen het college en de raad dat het feitelijke gebruik op het bedrijfsterrein van het loonbedrijf als gevolg van dit plan niet zal veranderen en dat geen sprake is van een fysieke uitbreiding van het bedrijf. Gelet hierop zal ook de overlast voor [appellant] en anderen door dit plan niet toenemen, aldus het college en de raad. Ter zitting heeft de raad in dit verband gesteld dat aan [belanghebbende] is meegedeeld dat hij een deel van zijn machines bij derden moet stallen, maar dat het gemeentebestuur niet controleert of dat daadwerkelijk gebeurt.

2.5.5. Het college en de raad hebben voor hun motivering van de noodzaak van dit bestemmingsplan met name gewezen op de gevestigde rechten van het loonbedrijf en op de landelijke ontwikkeling in de loonbedrijfbranche dat bedrijven, waaronder het loonbedrijf van [belanghebbende], naast agrarische ook niet-agrarische activiteiten zijn gaan uitoefenen wegens de seizoensgebondenheid van agrarisch loonwerk en het voorkomen van stilstand van de grotere en duurdere machines en werktuigen die in gebruik raakten. Het college en de raad hebben hierbij echter geen rekening gehouden met het feit dat het loonbedrijf van [belanghebbende] zich op korte afstand van enkele woningen bevindt en daarnaast reeds sinds het jaar 2000 kampt met ruimtegebrek op het bedrijfsterrein en binnen de bedrijfsbebouwing. Het college en de raad hebben weliswaar gesteld dat het verrichten van niet-agrarische werkzaamheden wat betreft hinder weinig verschilt ten opzichte van agrarische werkzaamheden, maar hebben niet onderkend dat de cumulatie van alle toegestane activiteiten mede gelet op de omvang van het bedrijf en de oppervlakte van het bedrijfsterrein en de bedrijfsbebouwing nu al tot ernstige overlast voor [appellant] en anderen leidt. Tengevolge van het onderhavige bestemmingsplan zal deze overlast niet verminderen.

Voorts is van belang dat in het deskundigenbericht wordt gesteld dat in het bestemmingsplan bepalingen opgenomen hadden kunnen worden waardoor de overlast voor [appellant] en anderen zou afnemen. Met name wordt daarin gewezen op de mogelijkheid van situering van een groenstrook rondom het bedrijf waarbinnen geluidwerende voorzieningen zijn toegestaan en het op de plankaart opnemen van een bouwvlak voor het hoofdgebouw in combinatie met het stellen van nadere eisen aan de ontsluiting van het hoofdgebouw zodat dit gebouw een afschermde functie voor geluid en stof kan vervullen. Gelet hierop hebben de raad en het college ten onrechte slechts volstaan met verwijzing naar de bestaande situatie en ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheid ter beperking van de overlast voor [appellant] en anderen, in het bijzonder als gevolg van de niet-agrarische activiteiten die worden uitgeoefend op het perceel [locatie 2] en die met het onderhavige plan als zodanig worden bestemd.

Bovendien hebben het college en de raad zich ten onrechte zonder nader onderzoek aangesloten bij de inmiddels ongeveer veertien jaar oude toelichting van het voorheen geldende plan, waarin is vermeld dat een verplaatsing van agrarische hulpbedrijven om financiële redenen niet haalbaar is en daarnaast onmogelijk is nu geen nieuw bedrijventerrein in de gemeente Beemster zal worden ontwikkeld. De Afdeling betrekt hierbij dat zich op het perceel [locatie 3] een volgens [belanghebbende] voor het loonbedrijf geschikte locatie bevindt en dat de raad inmiddels de intentie heeft uitgesproken om het loonbedrijf daarheen te verplaatsen. Het college heeft het feit dat de raad geen onderzoek heeft gedaan naar een geschikte locatie voor het loonbedrijf ten onrechte niet in zijn overwegingen betrokken.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 2] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.7. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige gronden van [appellant] en anderen geen bespreking.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 2].

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant] en anderen te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 20 maart 2007, kenmerk 2007-8514, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische hulpbedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 2];

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II. genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 maart 2007;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 25,88 (zegge: vijfentwintig euro en achtentachtig cent); het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-De Vin, voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-De Vin w.g. Bosnjakovic

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008

410-559.