Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
200801431/1 en 200801431/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zeist (hierna: de raad) bij besluit van 20 september 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Oud Zandbergen e.o.".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801431/1 en 200801431/2.

Datum uitspraak: 10 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de vereniging Buurt- en Belangenvereniging Huis ter Heide, gevestigd te Huis ter Heide, gemeente Zeist,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zeist (hierna: de raad) bij besluit van 20 september 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Oud Zandbergen e.o.".

Tegen dit besluit heeft de Buurt- en Belangenvereniging Huis ter Heide (hierna: BBVH) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2008, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft de BBVH tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 april 2008, waar de BBVH, vertegenwoordigd door drs. R.F.B. Geus en ir. D. de Groot, en het college, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad daar gehoord, vertegenwoordigd door mr. H.R.A. Beenen en mr. C.A.C.M. van der Wee, ambtenaren in dienst van de gemeente, drs. A.J.R. Roosken, werkzaam bij mRO te Amersfoort, drs. J. Niessink, werkzaam bij de Milieudienst Zuidoost-Utrecht, ing. C.H.J. van Giessen, werkzaam bij CIIID te Naarden, en H. van Leeuwen, adviseur.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het bestreden besluit

2.3. Het bestreden besluit strekt tot goedkeuring van het plan, voor zover het de gedeelten betreft ten aanzien waarvan de Afdeling het eerder door het college genomen besluit omtrent goedkeuring van 25 april 2006 heeft vernietigd, met uitzondering van het gedeelte ten aanzien waarvan de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten en het gedeelte waaraan door de Afdeling goedkeuring is onthouden (uitspraak van 26 september 2007 in zaak nr. 200603788/1).

Het plan behelst een nieuwe planologische regeling voor de buitenplaats "Oud-Zandbergen" en de directe omgeving daarvan in Huis ter Heide. De bij het bestreden besluit wederom goedgekeurde plandelen maken onder meer de aanleg mogelijk van een autoboulevard aan de zuidkant van het plangebied, tussen de buitenplaats en de oprit naar de rijksweg A28. Voorts voorziet het plan in een uitwerkingsplicht voor het bedrijventerrein Huis ter Heide-Zuid, ten behoeve van herstructurering en ontsluiting van dat gebied. In het uit te werken gebied is onder meer de bouw van een "landmarkkantoor" met een maximaal toegestane bouwhoogte van 25 meter voorzien.

Standpunt van de BBVH

2.4. De BBVH betoogt dat het college bij het bestreden besluit de onder 2.3 bedoelde gedeelten van het plan ten onrechte opnieuw heeft goedgekeurd. Daartoe voert zij aan dat het aanvullende rapport van april 2006 opgesteld door de Milieudienst Zuidoost-Utrecht inzake de gevolgen die het plan zal hebben voor de luchtkwaliteit, dat het college mede aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, is gebaseerd op onjuiste aannames. Voorts is volgens haar daarin geen rekening gehouden met de mogelijke vestiging van kantoorgebouwen in het gebied waarop de uitwerkingsplicht betrekking heeft en met voorgenomen ontwikkelingen buiten het plangebied die een verkeersaantrekkende werking kunnen hebben. Volgens de BBVH is het gebruikte CAR II-model niet geschikt voor bepaling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit op een plaats die zo dicht bij de rijksweg A28 gelegen is, en had voor bepaling van de invloed van de A28 gebruik moeten worden gemaakt van een ander geschikt model, bijvoorbeeld het Voorspellingssysteem Luchtkwaliteit Wegtracés (VLW).

Voorts is volgens de BBVH het onderzoek betreffende de mogelijke aantasting van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaats door de bouw van het voorziene "landmarkkantoor" ondeugdelijk. De BBVH voert verder aan dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de economische uitvoerbaarheid en dat gezien de huidige leegstand aan kantoren in de gemeente geen behoefte bestaat aan meer kantoorruimte. Verder is volgens haar het plan in strijd met het streekplan voor zover het bebouwing mogelijk maakt op het noordelijk gelegen deel van de buitenplaats, is het provinciaal boscompensatiebeleid onjuist toegepast en is de voor de verwezenlijking van het plan benodigde ontheffing op grond van de Flora- en faunawet ten onrechte in deze vorm verleend. Ten slotte zijn volgens de BBVH de gevolgen van vervangende bouw in "wijzigingsgebied 2" op het noordelijk deel van de buitenplaats voor de cultuurhistorische waarden niet beoordeeld, wat naar zij stelt in strijd is met de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling.

Standpunt van het college

2.5. Het college heeft het plan, voor zover het de onder 2.3 bedoelde gedeelten betreft, niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Uit het aanvullende rapport met betrekking tot de luchtkwaliteit van april 2006 blijkt volgens het college dat het plan niet zal leiden tot overschrijding van de normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het college is van mening dat het plan geen significante aantasting met zich brengt van wezenlijke waarden en kenmerken van natuur en landschap, omdat het betrokken gebied geen deel uitmaakt van de Ecologische hoofdstructuur en omdat het te kappen bos slechts geringe ecologische waarde heeft. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de bouw van het landmarkkantoor niet zal leiden tot aantasting van de cultuurhistorische, landschappelijke en monumentale waarde van de buitenplaats "Oud-Zandbergen". De economische haalbaarheid van het plan is volgens het college afdoende aangetoond.

Oordeel van de voorzitter

2.6. Ten aanzien van hetgeen de BBVH heeft aangevoerd met betrekking tot het aanvullende rapport inzake de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit overweegt de voorzitter het volgende. Volgens het rapport is de overschrijding van de etmaalgemiddelde concentratie fijn stof (PM10) die in 2005 optrad veroorzaakt door de bestaande situatie, en betekent het plan geen bijdrage aan die overschrijding. Vanaf 2006 is volgens het rapport geen sprake meer van overschrijdingen van de normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005. De gevolgen van de gewijzigde verkeersstromen en het extra verkeer als gevolg van de aanleg van de autoboulevard en de voorziene ontsluitingsweg zijn zodanig klein dat ook na realisatie, voorzien voor 2007, geen overschrijdingen zullen optreden, aldus het rapport.

Deze conclusies worden naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende weerlegd door de gegevens die de BBVH heeft overgelegd. De tabellen en grafieken waar zij naar verwijst, hebben voor het merendeel betrekking op ontwikkelingen en prognoses ten aanzien van de luchtkwaliteit voor Nederland als geheel; daaraan kunnen geen conclusies worden verbonden met betrekking tot de situatie in Huis ter Heide of de directe omgeving. Ook het feit dat de filemonitor van de Verkeersinformatiedienst tussen 2006 en 2007 een toename vermeldt van de filezwaarte op de A28 in de richting Amersfoort ter hoogte van het knooppunt Den Dolder, betekent op zichzelf niet dat de aannames in en de conclusies van het aanvullende rapport onjuist zijn. Voorts overweegt de voorzitter dat, naar ter zitting van de zijde van de raad is gesteld en niet gemotiveerd bestreden, bij de berekening van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit mede de ontwikkelingen zijn betrokken die zijn voorzien in het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied (UW)", de eventueel daar te verwezenlijken kantoorgebouwen daaronder begrepen. Eveneens heeft de raad ter zitting gesteld dat voor de berekening van de achtergrondconcentratie die wordt veroorzaakt door het verkeer op de A28, anders dan voor de bijdrage van het plaatselijke verkeer, niet het CAR II-model maar het VLW-model is gebruikt. Ook dit is door de BBVH niet gemotiveerd bestreden.

Hetgeen de BBVH overigens heeft aangevoerd met betrekking tot een mogelijke toename van verkeersbewegingen als gevolg van woningbouw op sportvelden in Huis ter Heide-west en de vestiging van een intergemeentelijk afvaldepot aan de Zandbergenlaan heeft geen betrekking op ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, zodat het in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.7. In haar voornoemde uitspraak heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat het college in zijn besluit omtrent goedkeuring van het plan van 25 april 2006 onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plandeel betreffende het landmarkkantoor niet zal leiden tot aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de buitenplaats.

Bij het bestreden besluit heeft het college het desbetreffende plandeel opnieuw goedgekeurd, en daarbij het standpunt ingenomen dat genoegzaam is aangetoond dat het landmarkkantoor vanaf de buitenplaats in feite niet zichtbaar is. Daarbij verwijst het college naar het rapport "Het Landmarkkantoor Oud Zandbergen ten opzichte van de cultuurhistorische monumentale waarde van de buitenplaats Oud Zandbergen" van oktober 2007, dat in opdracht van de raad door mRO is opgesteld. Volgens het rapport is de afstand tussen het op de buitenplaats aanwezige hoofdgebouw en het voorziene landmarkkantoor ongeveer 600 meter, en de afstand tussen het deel van de buitenplaats dat is aangewezen als beschermd rijksmonument en het landmarkkantoor ongeveer 250 meter. Door het op het terrein aanwezige geboomte, grotendeels tussen de 18 en 24 meter hoog, alsmede door het feit dat het landmarkkantoor iets lager ligt dan de buitenplaats, zal volgens het rapport, gezien de onderlinge afstand, het kantoor vanaf de buitenplaats niet kunnen worden waargenomen. Deze conclusie wordt onderbouwd met een aantal visualisaties, die zijn gebaseerd op foto's genomen op verschillende plaatsen op het terrein. Uit hetgeen de BBVH omtrent dit rapport heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden dat het rapport en de daarin opgenomen analyses zodanige onvolkomenheden bevatten dat het college het niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. In het bijzonder heeft de BBVH niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij heeft gesteld, de hoogte van de bomen en de bebouwing op de foto's niet juist is weergegeven, noch dat een visualisatie uitgaande van bomen met een minder dicht bladerdek tot een wezenlijk ander beeld zou hebben geleid.

Gezien het voorgaande acht de voorzitter het standpunt van het college dat afdoende is aangetoond dat de bouw van het landmarkkantoor niet zal leiden tot aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden op de buitenplaats niet onredelijk. Overigens is ter zitting van de zijde van de raad opgemerkt dat voor het gebied een inrichtingsplan is opgesteld dat ter plaatse voorziet in aanleg van ondergroei met groenblijvend blad.

2.8. Met betrekking tot de economische haalbaarheid van het plan, voor zover dat betrekking heeft op de ontwikkeling van het landmarkkantoor en de aan te leggen verbindingsweg tussen de voorziene autoboulevard en de Huis ter Heideweg, overweegt de voorzitter dat de Afdeling in haar eerdergenoemde uitspraak dienaangaande geen aanleiding zag voor het oordeel dat het plan in zoverre niet economisch uitvoerbaar is. De BBVH heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden in de periode tussen de genoemde uitspraak en het bestreden besluit zodanig zijn gewijzigd dat thans aanleiding bestaat voor een ander oordeel.

2.9. Met betrekking tot hetgeen de BBVH heeft aangevoerd omtrent de toepassing van het provinciaal natuurcompensatiebeleid, overweegt de voorzitter het volgende. In het Streekplan 2005-2015 en de Handleiding bestemmingsplannen 2006 van de provincie Utrecht wordt het natuurcompensatiebeleid, waar het compensatiebeginsel deel van uitmaakt, onder meer van toepassing geacht op gebieden waarvoor de Boswet geldt. Vaststaat dat een deel van het plangebied, waaronder het gebied waar de autoboulevard is voorzien, moet worden aangemerkt als gebied waarop de Boswet van toepassing is, zodat het provinciaal natuurcompensatiebeleid ook op dit gebied van toepassing is. Volgens dit beleid, zoals vastgelegd in het streekplan en de genoemde handleiding, kunnen plannen, projecten of handelingen die wezenlijke kenmerken van een dergelijk gebied significant aantasten slechts doorgang vinden indien sprake is van redenen van groot openbaar belang en geen reële alternatieven beschikbaar zijn.

Bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor natuur en landschap heeft het college de genoemde handleiding en de daarbij behorende toelichting als uitgangspunt genomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het te kappen bos in hoofdzaak bestaat uit jonge loofhoutaanplant, middeloud naald- of gemengd bos met weinig ondergroei en sparrensingels, waarvan de ecologische kwaliteit slechts beperkt is. Voorts heeft het zich op het standpunt gesteld dat het gedeelte dat wel ecologische kwaliteit van enig belang heeft dermate gering van omvang is dat niet kan worden gesproken van significante aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken. Aan dit standpunt heeft het college onder meer het rapport "Aanvullend onderzoek flora en fauna op Landgoed Oud-Zandbergen en Huis ter Heide zuid" van 29 juli 2004 ten grondslag gelegd. Volgens de in dat rapport opgenomen kaart met de bestaande typen begroeiing heeft slechts een zeer beperkt deel van het gebied waarin bomen zouden moeten worden gekapt een natuurwaarde die niet als "beperkt" of "matig hoog" wordt aangeduid. De BBHV heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport met betrekking tot de natuurwaarde van het te kappen bos zodanige gebreken vertoont dat het college het niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Gelet daarop acht de voorzitter het standpunt van het college dat geen sprake is van significante aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken niet onredelijk. Overigens zal volgens het bestreden besluit desondanks het gedeelte van het bos dat wel van plaatselijke waarde kan worden geacht, worden gecompenseerd in een gebied dat in het streekplan is aangeduid als "landelijk gebied 3" en aansluit op een gebied dat behoort tot de Ecologische hoofdstructuur, een en ander overeenkomstig het provinciaal beleid.

2.10. In hetgeen de BBVH heeft aangevoerd met betrekking tot de verleende ontheffing op grond van de Flora-en faunawet ziet de voorzitter geen aanleiding voor de verwachting dat het plan niet uitvoerbaar zal blijken te zijn, nu de benodigde ontheffing door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verleend en, naar ter zitting is gebleken, het daartegen door de BBVH ingestelde beroep niet tot vernietiging van het besluit inzake ontheffingverlening heeft geleid. De vraag of de ontheffing in deze vorm al dan niet terecht is verleend, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

2.11. Aan het plandeel met de aanduiding "wijzigingsgebied 2", gelegen op het noordelijke deel van de buitenplaats, is door de Afdeling bij haar eerdergenoemde uitspraak goedkeuring onthouden. De bij het bestreden besluit verleende goedkeuring heeft geen betrekking op dit plandeel, zodat hetgeen de BBVH daaromtrent heeft aangevoerd in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.12. De conclusie is dat hetgeen de BBVH heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.13. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008

59-568.