Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD4769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200800823/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / 8 EVRM / objectieve belemmeringen en categoriaal beschermingsbeleid

De grief slaagt. Volgens onderdeel B2/10.2.3.4 (thans genummerd: B2/10.2.3.2) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) bestaat een vermoeden van objectieve belemmering indien op het moment waarop de toets aan artikel 8 van het EVRM plaats vindt een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd wordt. Volgens onderdeel C24/5 van de Vc 2000 wordt ten aanzien van vreemdelingen afkomstig uit Somalië in de daar genoemde gevallen een beleid van categoriale bescherming gevoerd. In het bij de rechtbank bestreden besluit is daaraan zonder nadere motivering voorbij gegaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800823/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/21037 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 20 december 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) [appellant] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 18 april 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 december 2007, verzonden op 2 januari 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief III klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van de vraag of de inmenging in zijn gezinsleven gerechtvaardigd is, de belangen niet op de juiste wijze zijn afgewogen. Daartoe voert hij onder meer aan dat, gelet op hetgeen algemeen bekend is over de toestand in Somalië, hij geen objectieve beperkingen voor vestiging in Somalië behoeft aan te tonen, zeker waar het gaat om de belangen van zijn Nederlandse kinderen.

2.2. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de vreemdeling door de minister (thans: de staatssecretaris) ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000.

Ingevolge het derde lid kan de ongewenstverklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 geen rechtmatig verblijf hebben.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder recht op respect voor – voor zover hier van belang - zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.3. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring van de vreemdeling geen schending van artikel 8 van het EVRM betekent. Daartoe heeft hij overwogen dat gebleken noch aangetoond is dat het voor de partner van de vreemdeling en de kinderen niet mogelijk zou zijn om zich in het land van herkomst te vestigen en dat de gestelde objectieve belemmering niet met bewijsstukken onderbouwd is.

De rechtbank heeft dit standpunt juist geacht.

2.4. De grief slaagt. Volgens onderdeel B2/10.2.3.4 (thans genummerd: B2/10.2.3.2) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) bestaat een vermoeden van objectieve belemmering indien op het moment waarop de toets aan artikel 8 van het EVRM plaats vindt een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd wordt. Volgens onderdeel C24/5 van de Vc 2000 wordt ten aanzien van vreemdelingen afkomstig uit Somalië in de daar genoemde gevallen een beleid van categoriale bescherming gevoerd. In het bij de rechtbank bestreden besluit is daaraan zonder nadere motivering voorbij gegaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop, behoeft hetgeen overigens als grief is aangevoerd geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 18 april 2007 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 20 december 2007 in zaak nr. 07/21037;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van 18 april 2007, kenmerk 9503-01-8038;

V. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer dient te worden betaald en € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer dient te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. De Groot

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

210.

Verzonden: 28 mei 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak