Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD4762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
200802889/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / onvoldoende voortvarend / belangenafweging / ontbreken belang staatssecretaris

Niet in geschil is dat met het vertrekgesprek op 31 maart 2008 voor het eerst een handeling ter voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling heeft plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden om niet eerder handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten, geen sprake is geweest. Dat de vreemdeling op 25 maart 2008 een asielaanvraag heeft ingediend, stond daaraan niet in de weg. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. De grief slaagt.

De staatssecretaris heeft in dit geval geen bijzondere en zwaarwegende belangen gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het onvoldoende voortvarend handelen niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. Onder de gegeven omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat bij afweging van de betrokken belangen, de opgelegde maatregel van meet af aan in redelijkheid niet gerechtvaardigd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802889/1.

Datum uitspraak: 3 juni 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/11287 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 15 april 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 april 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu hij op 25 maart 2008 een asielaanvraag heeft ingediend en op 31 maart 2008 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, geen termen aanwezig zijn voor het oordeel dat door de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting is gewerkt. Daartoe betoogt hij dat op grond van de jurisprudentie de staatssecretaris binnen één week na een inbewaringstelling handelingen ter voorbereiding van de uitzetting moet verrichten. Nu gesteld noch gebleken is dat het vertrekgesprek niet eerder dan op 31 maart 2008 heeft kunnen plaatsvinden, is onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting gewerkt, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Niet in geschil is dat met het vertrekgesprek op 31 maart 2008 voor het eerst een handeling ter voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling heeft plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden om niet eerder handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten, geen sprake is geweest. Dat de vreemdeling op 25 maart 2008 een asielaanvraag heeft ingediend, stond daaraan niet in de weg. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. De grief slaagt.

2.2. De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het beroep van de vreemdeling, voor zover daarop na het vorenoverwogene nog moet worden beslist, als volgt.

2.4. Het vereiste van voortvarend handelen is geen wettelijk vereiste. Dit betekent dat, zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2008 in zaak nr. 200801811/1, www.raadvanstate.nl), het ontbreken van voldoende voortvarend handelen een maatregel van bewaring die aan alle in de wet gestelde vereisten voldoet, eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

De staatssecretaris heeft in dit geval geen bijzondere en zwaarwegende belangen gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het onvoldoende voortvarend handelen niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. Onder de gegeven omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat bij afweging van de betrokken belangen, de opgelegde maatregel van meet af aan in redelijkheid niet gerechtvaardigd was.

2.5. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 17 maart 2008 alsnog gegrond verklaren. De overige tegen het besluit aangevoerde beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.6. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 17 maart 2008, de datum waarop de vreemdeling in bewaring is gesteld, tot 29 april 2008, de dag waarop de inbewaringstelling van de vreemdeling is opgeheven.

2.7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 15 april 2008 in zaak nr. 08/11287;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 3085,00 (zegge: drieduizendvijfentachtig euro);

V. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Van Tielraden

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008

156-513.

Verzonden: 3 juni 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak