Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD4496

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
200707237/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (hierna: het college) aan [appellant] geweigerd een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor de uitbreiding van een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 september 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707237/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (hierna: het college) aan [appellant] geweigerd een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor de uitbreiding van een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 september 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Er zijn een nadere stukken ontvangen van het college en van [appellant]. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.M.M. Kroon, advocaat te Wageningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belang meer heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 11 september 2007 tot weigering van de vergunning omdat aan [appellant] bij besluit van 21 februari 2008 een revisievergunning is verleend voor de door [appellant] gewenste veebezetting.

2.1.1. Tegen het besluit van 21 februari 2008 is door een derde beroep ingesteld, zodat dit besluit niet onherroepelijk is. Gelet hierop kan [appellant] geacht worden procesbelang te hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 11 september 2007.

2.2. Door het college is bij besluit van 11 september 2007 de door [appellant] gevraagde vergunning geweigerd omdat in de aangevraagde situatie de ammoniakdepositie afkomstig van de inrichting op het Weerterbos, dat is aangewezen als een gebied van communautair belang in de zin van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, te hoog is.

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte niet de door hem ingediende aanvullingen op de aanvraag bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. In dit verband voert hij aan dat deze aanvullingen betrekking hebben op een geringe wijziging in de bedrijfsvoering en de uitstoot van ammoniak tengevolge daarvan zal afnemen. De vermindering van de uitstoot van ammomiak is zodanig dat het door het college voor de beoordeling van de van de inrichting te verwachten ammoniakdepositie op het Weerterbos gehanteerde toetsingskader, niet aan vergunningverlening in de weg staat, indien van de gewijzigde aanvraag wordt uitgegaan. In dit verband wijst hij op de door het college bij besluit van 28 februari 2008 verleende vergunning op zijn aanvraag van 23 oktober 2007, die betrekking heeft op dezelfde veebezetting en wijze van houden als de met de aanvulling gewijzigde aanvraag.

2.4. Het college stelt dat de in de aanvullingen opgenomen wijzigingen in de inrichting mogelijk tot meer geluidsoverlast, toename van geurhinder en een verslechtering van de luchtkwaliteit zullen leiden waardoor derden kunnen worden benadeeld. Derhalve dienen de aanvullingen buiten beschouwing gelaten te worden, aldus het college.

2.5. Ter beoordeling ligt voor of het college de aanvullingen op de aanvraag buiten beschouwing heeft kunnen laten.

2.6. Bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in paragraaf 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, moet in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na deze terinzagelegging is het niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen, tenzij vaststaat dat daardoor geen derden zijn benadeeld.

2.7. De door [appellant] ingediende aanvullingen houden in dat de koeien ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag zullen worden beweid in plaats van uitsluitend op stal gehouden te worden en het aantal stuks vrouwelijk jongvee zal worden teruggebracht van 421 naar 381.

Door deze wijzigingen zal de ammoniakdepositie van de inrichting op het Weerterbos afnemen. Gelet op de aard en omvang van de wijzigingen moet ervan uitgegaan worden dat deze niet leiden tot meer geluidsoverlast, toename van geurhinder of een verslechtering van de luchtkwaliteit en dat derden door de wijzigingen of de gevolgen daarvan niet in hun belangen zullen worden geschaad.

Aangezien het in beginsel geoorloofd moet worden geacht de aanvraag na terinzagelegging van het ontwerpbesluit te wijzigen indien vaststaat dat daardoor geen derden zijn benadeeld, lag het op de weg van het college om de wijzigingen van de aanvraag bij het nemen van het bestreden besluit te betrekken.

2.8. Nu niet op de grondslag van de gewijzigde aanvraag is beslist is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van 11 september 2007;

III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Nederweert aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat gemeente Nederweert aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008

325-578.