Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD4495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
200706526/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) medegedeeld dat het door de raad van de gemeente Apeldoorn (hierna: de raad) bij besluit van 15 juni 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Agrarische Enclave" (hierna: het plan) van rechtswege is goedgekeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706526/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 29 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) medegedeeld dat het door de raad van de gemeente Apeldoorn (hierna: de raad) bij besluit van 15 juni 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Agrarische Enclave" (hierna: het plan) van rechtswege is goedgekeurd.

Tegen het goedkeuringsbesluit van rechtswege hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2007, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van [appellant sub 2] en de raad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2008, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Meerbeek, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.A.J. Boogmans, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het college beslist over de goedkeuring van het plan. Bij uitspraak van 7 juni 2007, in de zaak nr. 200702370/2, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd, nu ten tijde van dat besluit reeds een besluit tot goedkeuring van dat plan moest worden geacht te zijn genomen. Bij brief van 29 augustus 2007 heeft het college medegedeeld dat het plan van rechtswege is goedgekeurd.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingsplannen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient er op toe te worden gezien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de in het plan gegeven aanduiding "parkeren vrachtwagens", met de ingevolge de planvoorschriften daarbij behorende maximale oppervlakte van 1200 m2 aan verharding ten behoeve van het parkeren van twee vrachtwagens, voor het perceel tussen de [locatie 1] en [locatie 2] (naast de woning [locatie 3] te [plaats]) (hierna: het perceel), geen recht doet aan zijn situatie. Hij voert aan dat de oppervlakte en vorm van het perceel van 1200 m2 het niet mogelijk maakt om twee vrachtwagens op een veilige manier te manoeuvreren en in- en uit te rijden. Hij voert verder aan dat het overige deel van het bestaande verharde terrein ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, dat daarbij ten onrechte is gewezen op specifieke te beschermen gebiedskenmerken en dat de stelling dat doorgroei van het bedrijf naar een volwaardig transportbedrijf moet worden voorkomen niet relevant is, omdat er thans al sprake is van een volwaardig transportbedrijf.

2.4. Bij besluit van 4 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn [appellant sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens te staken en de aangelegde verharding te verwijderen en verwijderd te houden. Deze aanschrijving is na de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2005, in de zaak nr. 200402880/1, voor wat betreft de aangelegde verharding onherroepelijk geworden. De Afdeling heeft in deze uitspraak het besluit van 4 december 2003, strekkende tot handhaving van voornoemde last, vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens en het besluit van 4 april 2003 in zoverre herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 december 2003. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat het perceel reeds op de peildatum voor het stallen van twee vrachtwagens werd gebruikt en dat dat gebruik onder het overgangsrecht valt.

2.5. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling is in het plan op de plankaart ter plaatse van het perceel dat is bestemd als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" de aanduiding "parkeren vrachtwagens" opgenomen.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de planvoorschriften is bepaald dat op de bestemmingkaart als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" aangewezen gronden, zijn bestemd voor het parkeren van vrachtwagens inclusief een daarbij behorende toegangsweg, uitsluitend ter plaatse van de op de bestemmingskaart voorkomende aanduiding "parkeren vrachtwagens", met dien verstande dat de maximale oppervlakte voor genoemd gebruik 1200 m2 bedraagt; voor de aanleg van verharding is in afwijking van het bepaalde in artikel 31 geen aanlegvergunning vereist.

In de plantoelichting is aangegeven dat de verharding van 1200 m2 strekt ten behoeve van het parkeren van twee vrachtwagens en een bijbehorende toegangsweg. Een dergelijk beperkt oppervlak leidt niet tot een in landschappelijke zin onverantwoorde situatie waarbij de bufferfunctie tussen de bebouwde percelen [locatie 1] en [locatie 2] in stand blijft, aldus de toelichting.

2.6. Anders dan [appellant sub 1] betoogt is de verharding, daaronder begrepen het resterende deel, niet onder het bij het plan behorende overgangsrecht gebracht. De Afdeling heeft in voormelde uitspraak van 12 januari 2005 immers geoordeeld dat de verharding in strijd was met het voorheen geldende plan en dat deze niet viel onder het daarbij behorende overgangsrecht.

2.7. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het college gemeend naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2005 tot een passende planologische inpassing te komen door het parkeren van vrachtwagens inclusief een daarbij behorende toegangsweg en verharding ter plaatse van de op de plankaart voorkomende aanduiding "parkeren vrachtwagens" mogelijk te maken. Op de plankaart is ter plaatse van het betrokken perceel de aanduiding "parkeren vrachtwagens" aangebracht voor het perceelgedeelte groot 1200 m2. Op de plaats waar de aanduiding op de plankaart is aangebracht bevindt zich een deel van de bestaande verharding. Ingevolge de planvoorschriften is voor de verharding ter plaatse van de aanduiding in afwijking van het bepaalde in artikel 31 geen aanlegvergunning vereist, zodat daarop uitsluitend de gebruiksbepalingen van toepassing zijn.

2.8. De Afdeling stelt voorop dat de aanduiding een passende planologische inpassing van voornoemde uitspraak van de Afdeling vormt, indien afdoende is verzekerd dat de in- en uitrit op een verkeersveilige manier kan worden gebruikt alsmede dat er voldoende ruimte is om binnen het verharde deel van het terrein, wanneer het overeenkomstig de bestaande situatie wordt gebruikt voor het stallen van twee vrachtwagens, de wagens kunnen manoeuvreren.

2.9. Ter zitting is onweersproken gesteld dat het bij het gebruik dat onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan mocht worden voortgezet gaat om twee (lange) vrachtwagens of trucks met oplegger. Hierbij gaat de Afdeling uit van een lengte van ongeveer 18 m. Nu het perceelsgedeelte waarbinnen moet worden gekeerd een breedte heeft van ongeveer 15 tot 16 m is de Afdeling er niet van overtuigd dat ter plaatse kan worden gekeerd. Tot het dossier behoort geen onderzoek van een ter zake deskundige inzake de ruimte die nodig is om te manoeuvreren, en welke vorm het verharde deel daartoe dient te hebben.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd omtrent de omvang en grootte van het perceel aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre moet worden geacht tot stand te zijn gekomen in strijd met de bij het voorbereiden van een plan te betrachten zorgvuldigheid. De goedkeuring van rechtswege is derhalve in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plangrens op de plankaart die de aanduiding "parkeren vrachtwagens" op het perceel begrenst en de zinsnede in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de planvoorschriften dat de maximale oppervlakte voor genoemd gebruik 1200 m2 bedraagt

2.11. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de plangrens die de aanduiding "parkeren vrachtwagens" op het perceel begrenst en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de planvoorschriften voor zover betreft de zinsnede "dat de maximale oppervlakte voor genoemd gebruik 1200 m2 bedraagt"

2.12. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de in het plan opgenomen regeling met betrekking tot de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen voor zover dat betrekking heeft op zijn perceel [locatie 4] te [plaats]. Volgens [appellant sub 2] is ten gevolge van de bijgebouwenregeling een deel van de op het perceel opgerichte loods met een oppervlakte van 162 m2, waarvoor - in ruil voor afbraak van een aantal bestaande bijgebouwen - recent bouwvergunning is verleend, ten onrechte (deels) onder het overgangsrecht gebracht.

2.13. Op het perceel [locatie 4] rust ingevolge het plan de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "binnenopslag klussenbedrijf".

Ingevolge artikel 16, tweede lid, aanhef en onder sub b, van de planvoorschriften mogen, voor zover hier van belang, op de gronden met de bestemming "Wonen" bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften zijn de op de bestemmingskaart als "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor opslag ten behoeve van een klussenbedrijf, uitsluitend binnen een bijgebouw, daar waar op de bestemmingskaart de aanduiding "binnenopslag klussenbedrijf" voorkomt.

Ingevolge het bij de thans voorliggende partiële herziening ingevoegde artikel 16, derde lid, sub e, van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde woning behorende bijgebouwen niet meer dan 50 m2 bedragen en kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de situering van bijgebouwen teneinde de bebouwing in een compacte eenheid te situeren en versnippering van bebouwing te voorkomen.

Ingevolge het bij de thans voorliggende partiële herziening ingevoegde artikel 16, derde lid, onder r, van de planvoorschriften mag, daar waar op de bestemmingskaart de aanduiding "binnenopslag klussenbedrijf" voorkomt, de totale oppervlakte ten dienste van een gebruik voor opslag ten behoeve van een klussenbedrijf niet meer bedragen dan 75 m2.

Ingevolge het bij de thans voorliggende partiële herziening ingevoegde artikel 16, lid 4.1, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3, onder e, ten behoeve van het bouwen van bijgebouwen bij de woning tot een oppervlakte van 75 m2, mits dit geen afbreuk doet aan de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving en de openheid van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.

2.14. De door [appellant sub 2] bedoelde loods met een oppervlakte van 162 m2 is met en overeenkomstig twee recente bouwvergunningen en derhalve legaal opgericht. Door de thans voorliggende partiële herziening is (een deel van) de loods onder het overgangsrecht van artikel 38, eerste lid, van de planvoorschriften gebracht. De Afdeling overweegt hieromtrent dat het onder het overgangsrecht brengen van legaal opgerichte bebouwing aanvaardbaar kan zijn, mits voldoende aannemelijk is dat deze binnen de planperiode zal worden verwijderd, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Door [appellant sub 2] is gesteld, hetgeen ook aannemelijk is, dat de loods niet binnen de planperiode zal worden verwijderd. Handhaving is onmogelijk in verband met de twee verleende onherroepelijke bouwvergunningen. Onteigening wordt niet voorgenomen. Onder deze omstandigheden dient in het plan een passend voorschrift te worden opgenomen voor het perceel [locatie 4]. De Afdeling acht artikel 16, derde lid, sub e, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 4] te [plaats] dan ook in strijd met de rechtszekerheid.

2.15. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De goedkeuring van rechtswege is derhalve in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 16, derde lid, sub e, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 4] te [plaats].

2.16. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 16, derde lid, sub e, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 4] te [plaats].

2.17. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 16, derde lid, sub e, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 4] te [plaats], aan de plangrens op de plankaart die de aanduiding "parkeren vrachtwagens" op het perceel tussen de [locatie 1] en [locatie 2] begrenst en aan de zinsnede in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de planvoorschriften "dat de maximale oppervlakte voor genoemd gebruik 1200 m2 bedraagt";

III. onthoudt goedkeuring aan deze plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de goedkeuring voor zover die is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door [appellant sub 1] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig) en [appellant sub 2] gemaakte proceskosten tot een bedrag van eveneens € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig), welk bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2];

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (ieder € 143,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008

224.