Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD4491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
200708334/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd om de stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant (hierna: de faunabeheereenheid) ontheffing te verlenen voor het doden van spechten op de gronden van [appellante] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 100 met annotatie van C.J. Bastmeijer
Milieurecht Totaal 2008/4917
JB 2008/167
JM 2008/112 met annotatie van Boerema
JOM 2008/530
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708334/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4299 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 oktober 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd om de stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant (hierna: de faunabeheereenheid) ontheffing te verlenen voor het doden van spechten op de gronden van [appellante] te [plaats].

Bij besluit van 12 september 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2007, verzonden op 30 oktober 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De faunabeheereenheid heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. G.J.M. Immens, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door C.M.C.M. Snellen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten.

Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw, voor zover thans van belang, kunnen gedeputeerde staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens artikel 9, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.

2.2. Het college heeft geweigerd een ontheffing te verlenen voor het doden van spechten op de gronden van [appellante]. Daarbij heeft het vooropgesteld dat de Ffw is gericht op de bescherming van diersoorten tegen voor die diersoort schadelijke menselijke activiteiten en dat het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel 68 van de Ffw daarom met terughoudendheid moet geschieden. Indien de causaliteit van de schade onvoldoende wordt aangetoond en indien nog andere mogelijkheden bestaan en beproefd kunnen worden om schade te voorkomen, wordt geen ontheffing verleend. Evenmin wordt ontheffing verleend voor maatregelen die verder gaan dan strikt noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. In dit restrictieve systeem ligt volgens het college de bewijslast bij de aanvrager van een ontheffing. Het is aan hem om de schade en de schadeoorzaak voldoende eenduidig aan te tonen en om tevens aan te tonen dat lichtere middelen niet tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Hoewel aannemelijk is dat spechten de meest waarschijnlijke oorzaak zijn van de door [appellante] ondervonden schade, is dit volgens het college niet onomstotelijk aangetoond. Evenmin is aangetoond welke specifieke spechtensoort voor de schade verantwoordelijk is. Verder is volgens het college onbetwist dat preventieve en beschermende maatregelen slechts in beperkte mate zijn beproefd. Tot slot heeft het college, gelet op het feit dat de specht een vrij schuwe en solitair levende vogel is, afschot geen effectieve methodiek geacht omdat dit zou leiden tot een zeer significante reductie van de spechtenstand in de wijde omgeving.

2.3. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat het college op goede gronden heeft vastgesteld dat de schadeoorzaak onvoldoende is komen vast te staan, dat het college reeds daarom de gevraagde ontheffing in redelijkheid heeft kunnen weigeren en dat de gronden die zien op het uitgangspunt dat [appellante] geen andere lichtere methoden heeft geprobeerd om schade te voorkomen derhalve geen bespreking behoeven.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat haar directeur regelmatig drie specifieke spechtsoorten - de grote bonte specht, de groene specht en de zwarte specht - waarneemt. Omdat spechten schuw zijn, is het moeilijk ze te fotograferen. [appellante] heeft dit geprobeerd, maar zonder goed resultaat. De aanwezigheid van deze spechten is volgens [appellante] inmiddels in verschillende onderzoeken bevestigd en ook de faunabeheereenheid heeft aangegeven dat de drie soorten spechten op haar perceel zijn geconstateerd en dat deze de schade veroorzaken. Het college had daarom meer onderzoek moeten doen. Voorts is de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte niet ingegaan op haar gronden over de lichtere methoden.

2.4.1. Zoals volgt uit het bepaalde in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ligt het op de weg van de aanvrager de gegevens en bescheiden aan het bestuursorgaan te verschaffen die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In het geval van een aanvraag om een ontheffing voor het doden van bepaalde dieren in verband met schade is het vermelden van de diersoort die de schade veroorzaakt en zonodig een nadere aanduiding binnen deze soort noodzakelijk voor het besluit op die aanvraag. Het is derhalve aan de aanvrager om aan te tonen welk dier de gestelde schade veroorzaakt. In dit geval kon niet worden volstaan met de vermelding dat de schade wordt veroorzaakt door spechten, maar had dit moeten worden gespecificeerd naar soort specht, met name omdat de groene specht staat vermeld op de zogenoemde Rode Lijst van bedreigde vogelsoorten. Naar het oordeel van de Afdeling valt niet in te zien dat [appellante] - bijvoorbeeld door een verslag van waarnemingen van een officiële veldwaarnemer - redelijkerwijs niet kon beschikken over objectieve informatie over de soort specht die de door haar ondervonden schade heeft veroorzaakt. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd komt neer op de niet nader onderbouwde stelling dat haar directeur regelmatig drie soorten heeft waargenomen en de faunabeheereenheid dit ook heeft geconstateerd. Dat is echter onvoldoende. Met de rechtbank dient te worden geconcludeerd dat de schadeoorzaak niet is komen vast te staan en dat het college de gevraagde ontheffing reeds daarom in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De rechtbank heeft de overige gronden terecht buiten beschouwing gelaten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008

419.