Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD4481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
200707210/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) [appellante sub 2] op straffe van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie], gemeente Venray (hierna: het perceel), door de opslag van containers te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707210/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Venray,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/339 van de rechtbank Roermond van 21 september 2007 in het geding tussen:

appellante sub 2

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) [appellante sub 2] op straffe van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie], gemeente Venray (hierna: het perceel), door de opslag van containers te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het college het daartegen door [appellante sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2007, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellante sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2008, waar het college, vertegenwoordigd door W. van der Kint, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], en mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante sub 2] exploiteert op het perceel een transportonderneming en verhuurt in het kader daarvan containers. Niet in geschil is dat opslag van containers in strijd is met de op het perceel ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1981" (hierna: het bestemmingsplan) rustende bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarde". Dit bestemmingsplan is op 20 juli 1985 in werking getreden.

2.2. Ingevolge artikel 4, lid A, onder 1, van de voorschriften, behorende bij het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), is het verboden de in het plan begrepen gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 60, lid B, onder I, mag, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en opstallen worden gebruikt in strijd met het in het plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik worden voortgezet. Wijziging van het met het plan strijdige gebruik van gronden en opstallen is niet toegestaan, indien door die wijziging van het gebruik de afwijking van het plan naar de aard wordt vergroot.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat weliswaar vóór de peildatum van 20 juli 1985 containers op het zuidwestelijke gedeelte van het perceel werden opgeslagen, maar deze opslag in de loop van de tijd in noordoostelijke richting is uitgebreid en die opslag - anders dan die op het zuidwestelijke gedeelte - niet onder het overgangsrecht valt.

[appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gehele perceel al vóór 20 juli 1985 voor de opslag van containers in gebruik was en het gebruik, waarop de last ziet, daarom geheel onder de werking van het overgangsrecht valt.

2.4. De rechtbank heeft terecht door [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt geacht dat het gehele perceel - inclusief het gedeelte in noord-oostelijke richting - vóór de peildatum in gebruik was voor containeropslag.

De door haar overgelegde verklaringen van voormalige werknemers en een voormalig gemeenteambtenaar zijn daartoe te weinig specifiek. Dat geldt ook voor de brief van 6 juni 1983 van de Provinciale Waterstaat in Limburg en de in 1984 voor de opslag van containers verleende vrijstelling krachtens de Verordening op opslagplaatsen in Limburg. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daaruit niet kan worden afgeleid dat op het gehele perceel daadwerkelijk van de vrijstelling gebruik is gemaakt.

2.5. De conclusie is dat de opslag, waar de last op ziet, in strijd is met artikel 4, lid A, onder I, van de planvoorschriften, zodat het college tot handhaving kon besluiten.

2.6. Het hoger beroep van het college is gegrond en dat van [appellante sub 2] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank niet is toegekomen aan de beoordeling van de overige door [appellante sub 2] tegen het besluit van 30 januari 2007 voorgedragen beroepsgronden, zal de Afdeling dit, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, doen.

2.7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik mogen maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan dit niet. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van handhavend optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.1. Van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee het college in dit geval van handhavend optreden moest af zien, is niet gebleken.

Het betoog van [appellante sub 2] dat handhavend optreden in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat het college al vele jaren op de hoogte was van de illegale situatie en daar niet tegen is opgetreden, faalt. Voor zover het college op de hoogte was, dan wel had kunnen zijn, van de intensivering van het gebruik van het perceel, leidt dit er niet toe dat [appellante sub 2] erop mocht vertrouwen dat in de illegale situatie zou worden berust. [appellante sub 2] heeft nooit om legalisering verzocht en niet is gebleken dat het college legalisering in het vooruitzicht heeft gesteld.

2.7.2. Het beroep is ongegrond

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Venray gegrond;

II. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 2] ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 september 2007 in zaak nr. 07/339;

IV. verklaart het door [appellante sub 2] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2008

328-567.