Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD4383

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
200803084/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan [verzoekster] lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, tweede lid, in samenhang met het eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer en wegens overtreding van voorschrift 3.9 van de bij besluit van 11 november 2004 door het college aan [verzoekster] verleende milieuvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803084/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan [verzoekster] lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, tweede lid, in samenhang met het eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer en wegens overtreding van voorschrift 3.9 van de bij besluit van 11 november 2004 door het college aan [verzoekster] verleende milieuvergunning.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 juni 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Stegers en K. van der Waal, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college [verzoekster] opgedragen om voor het aflopen van de begunstigingstermijn de in vergunningvoorschrift 3.9 voorgeschreven beschrijving van de registratieprocedure over te leggen. Tevens heeft het college [verzoekster] gelast geen gebruik te maken van een mobiele puinbreker waarvoor geen vergunning is verleend.

2.2. Het college heeft bij besluit van 21 mei 2008 de door [verzoekster] overgelegde beschrijving van de registratieprocedure goedgekeurd en medegedeeld dat de last onder dwangsom wegens overtreding van voorschrift 3.9 zal worden ingetrokken. In zoverre bestaat er geen belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. [verzoekster] stelt dat de last ter zake van het zonder vergunning in werking hebben van een mobiele puinbreker op het terrein van de inrichting, haar bedrijfsvoering onmogelijk maakt. Zij voert hiertoe aan dat het gebruik van een mobiele puinbreker met een bronvermogen van 111 dB(A) weliswaar is vergund, maar dat het bronvermogen van de beoogd te gebruiken mobiele puinbreker hoger is. Voor het gebruik van een puinbreker met een bronvermogen groter dan 111 dB(A) is derhalve in april 2008 een vergunning aangevraagd, aldus [verzoekster]. Zij betoogt, kort weergegeven, dat deze vergunning verleend kan worden omdat met het opheffen van de geluidzone rond het industrieterrein waarop de inrichting is gelegen, geluidruimte is ontstaan. Er is derhalve concreet uitzicht op legalisatie, aldus [verzoekster].

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de ingediende aanvraag niet-ontvankelijk is omdat de door hem verzochte aanvullende gegevens met betrekking tot deze aanvraag nog niet door [verzoekster] zijn toegestuurd. Door het ontbreken van een ontvankelijke aanvraag is er geen concreet uitzicht op legalisatie. Er is derhalve geen reden waarom zou moeten worden afgezien van handhavend optreden, aldus het college. Tevens is volgens het college onduidelijk of geluidbeperkende maatregelen getroffen dienen te worden om de gevraagde vergunning te kunnen verlenen.

2.3.2. In geval van overtreding van een wettelijk voorschrift zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 

2.3.3. De inrichting van [verzoekster] is gelegen op het bedrijventerrein Oostplaat. Niet in geschil is dat de rond dit terrein vastgestelde geluidzone is opgeheven. Het college heeft in dit verband erkend dat er geen belemmering meer is om de geluidruimte voor de inrichting te vergroten teneinde het gebruik van een puinbreker met een groter bronvermogen mogelijk te maken. Hierbij zal het college bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting aansluiting zoeken bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Ter zitting is gebleken dat de dichtst bij de inrichting gelegen woning een bedrijfswoning betreft en in de directe omgeving van de inrichting geen andere geluidgevoelige objecten zijn gelegen. Bij de vergunningaanvraag van april 2008 is een akoestisch rapport gevoegd waarin is vermeld dat bij gebruik van de beoogde mobiele puinbreker de geluidbelasting op de bedrijfswoning 60 dB(A) bedraagt. In aanmerking nemende dat door de Handreiking voor bedrijfswoningen een maximum richtwaarde van 65 dB(A) wordt aanbevolen, acht de voorzitter het niet aannemelijk dat het gebruik van de beoogde mobiele puinbreker voor omwonenden zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder. Tevens ziet de voorzitter geen aanleiding om aan te nemen dat het college de gevraagde vergunning niet zou kunnen verlenen nadat [verzoekster] de gevraagde aanvullende gegevens heeft overgelegd. Hij gaat er daarom vanuit dat het college op grond van deze nieuwe feiten en omstandigheden in het kader van zijn heroverweging van het bestreden besluit op de grondslag van het bezwaar van [verzoekster], opnieuw zal bezien of concreet uitzicht op legalisatie bestaat en of er aanleiding bestaat af te zien van handhavend optreden tegen het gebruik van de beoogde puinbreker.

2.4. De voorzitter ziet gelet op het voorgaande en bij afweging van de betrokken belangen, reden de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 8 januari 2008, kenmerk PZH-2007-705996, voor zover dit ziet op overtreding van artikel 8.1, tweede lid, in samenhang met het eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2008

159-542.