Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
200708670/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regulier/ aanvraag in persoon/buiten behandeling stellen van de aanvraag

De staatssecretaris wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend hij de aanvraag van de vreemdeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb buiten behandeling heeft mogen stellen omdat sprake is van een in een wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, neergelegde verplichting om bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in persoon te verschijnen. Gelet op de in 2.1.1 en 2.1.2 vermelde relevante artikelen uit de Vw 2000 en het Vb 2000 alsmede op de geschiedenis van de totstandkoming daarvan heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de vreemdelingenwetgeving geen wettelijke voorschriften zijn opgenomen waarin een vereiste is gesteld dat het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in persoon dient te geschieden. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 3.102 van het Vb 2000 is af te leiden dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier zowel in persoon als niet in persoon kan worden ingediend. Op grond hiervan heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvrager de keuze heeft om zijn aanvraag in persoon dan wel niet in persoon in te dienen.

Anders dan de staatssecretaris betoogt, kan uit de omstandigheid dat op het in artikel 3.26 van het VV 2000 bedoelde (model)formulier voor het doen van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de kop "Hoe dient u een aanvraag in?" vermeld staat dat iedere persoon die een aanvraag doet, aanwezig moet zijn als de aanvraag wordt ingediend, niet worden afgeleid dat de verplichting om in persoon te verschijnen bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aldus is neergelegd in een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit formulier, opgenomen in een bijlage bij artikel 3.26 van het VV 2000, is niet aan te merken als een wettelijk voorschrift.

Het standpunt van de staatssecretaris dat in de toelichting op artikel 3.102 van het Vb 2000 alsmede in het karakter van de verblijfsvergunning regulier besloten ligt dat het in persoon verschijnen bij het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd deel uitmaakt van de verplichting voor de aanvrager om de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb te verschaffen, wordt evenmin gevolgd. Hoewel een verblijfsvergunning persoonsgebonden is, biedt de tekst van artikel 3.102 van het Vb 2000 geen aanknopingspunt voor de door de staatssecretaris voorgestane uitleg van die bepaling dat aan het verstrekken van gegevens en bescheiden, noodzakelijk voor het beslissen op een ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning regulier, de verschijning in persoon van de desbetreffende vreemdeling noodzakelijkerwijs verbonden is. Met die uitleg gaat de staatssecretaris ook voorbij aan het bepaalde in het tweede lid van dat artikel. In dit opzicht heeft de wetgever in een andere regeling voorzien dan die voor aanvragen om een verblijfsvergunning asiel, nu daarvoor in artikel 3.108, tweede lid, van het Vb 2000 uitdrukkelijk is bepaald dat die aanvraag in persoon moet worden ingediend.

De grief faalt in zoverre.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:1
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.102
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/163
JV 2008/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708670/1.

Datum uitspraak: 10 juni 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/18298 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 6 november 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) medegedeeld dat zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling wordt genomen.

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 november 2007, verzonden op 14 november 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 december 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2008, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag van de vreemdeling ten onrechte op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) buiten behandeling is gesteld vanwege het enkele feit dat de vreemdeling heeft nagelaten in persoon de voor de beoordeling van zijn aanvraag benodigde gegegevens en bescheiden over te leggen en hij vervolgens zonder opgaaf van redenen niet op de uitnodiging van de minister om alsnog op de aangegeven datum in persoon te verschijnen is ingegaan. Hiertoe stelt de staatssecretaris dat de rechtbank heeft miskend dat bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier de verplichting bestaat om in persoon te verschijnen, dat deze verplichting in een wettelijk voorschrift is neergelegd, dat de vreemdeling bij het indienen van zijn aanvraag onvoldoende gegevens heeft verstrekt om daarop te kunnen beslissen en hij de aanvraag, nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, niet in persoon heeft gecompleteerd.

2.1.1. Ingevolge artikel 4:1 van de Awb wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag en omtrent de gegevens die de vreemdeling in persoon moet verstrekken.

Ingevolge artikel 3.102, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) legt de vreemdeling bij de in persoon ingediende aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, of tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000, in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verlening, wijziging of verlenging.

Ingevolge artikel 3.102, tweede lid, van het Vb 2000 legt de vreemdeling bij de niet in persoon ingediende aanvraag afschriften over van de in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden en legt hij op verzoek van de staatssecretaris de originelen over.

Ingevolge artikel 3.26 van de Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij die regeling met de letter a aangeduide model.

2.1.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.102 van het Vb 2000 (nota van toelichting, blz. 170-171; Stb. 2000, 497) is dat artikel een uitwerking van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 neergelegde verplichting om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen omtrent de door de vreemdeling in persoon te verstrekken gegevens. Hoofdregel in het vreemdelingenrecht is dat de aanvraag in persoon wordt ingediend en dat de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag de noodzakelijke gegevens en bescheiden verstrekt die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn. Onder omstandigheden kan de aanvraag ook schriftelijk worden ingediend. In dat geval wordt een afschrift van een geldig document voor grensoverschrijding (en de overige bescheiden) overgelegd en op verzoek van de korpschef de originelen getoond.

2.1.3. In het besluit van 22 januari 2007 dat is ingelast in het bij de rechtbank bestreden besluit van 30 maart 2007 heeft de minister onder verwijzing naar, ten tijde van belang, paragraaf B1/4.1.1.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) en artikel 4:2, tweede lid, van de Awb overwogen dat de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag een geldig document voor grensoverschrijding overlegt en hij, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden verstrekt waarmee wordt aangetoond dat aan de voorwaarden voor inwilliging van de aanvraag wordt voldaan. Uitgangspunt is, volgens de minister, dat de vreemdeling in persoon een volledig onderbouwde aanvraag indient. Omdat de vreemdeling, desverzocht bij brief van 22 december 2006, zonder opgaaf van redenen niet op 19 januari 2007 in persoon is verschenen teneinde de aanvraag te completeren, heeft de minister bij besluit van 22 januari 2007 overwogen dat sprake is van een niet in persoon gecompleteerde aanvraag en deze om die reden niet in behandeling genomen.

2.1.4. De vreemdeling heeft op 24 november 2006 met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend. In de toelichting op dat formulier staat vermeld welke documenten bij het indienen van de aanvraag moeten worden overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdeling bij het indienen van de aanvraag niet alle voor een beoordeling van de aanvraag benodigde documenten heeft overgelegd.

Bij brief van 22 december 2006 heeft de minister de vreemdeling verzocht de onvolledige aanvraag aan te vullen en daartoe op 19 januari 2007 in persoon te verschijnen en de voor een beoordeling van de aanvraag benodigde, maar vooralsnog ontbrekende documenten over te leggen. In de brief is tevens vermeld dat, ingeval de vreemdeling geen gevolg geeft aan dit verzoek, een besluit zal worden genomen op grond van de op dat moment ter beschikking staande gegevens, hetgeen kan leiden tot het, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb, niet in behandeling nemen van de aanvraag.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdeling op 19 januari 2007 niet in persoon is verschenen en niet zijn aanvraag heeft aangevuld met de voor de beoordeling van die aanvraag benodigde documenten, zoals vermeld in de brief van 22 december 2006, noch daaraan voorafgaand heeft doorgegeven dat en waarom hij daartoe was verhinderd.

2.1.5. De staatssecretaris wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend hij de aanvraag van de vreemdeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb buiten behandeling heeft mogen stellen omdat sprake is van een in een wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, neergelegde verplichting om bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in persoon te verschijnen. Gelet op de in 2.1.1 en 2.1.2 vermelde relevante artikelen uit de Vw 2000 en het Vb 2000 alsmede op de geschiedenis van de totstandkoming daarvan heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de vreemdelingenwetgeving geen wettelijke voorschriften zijn opgenomen waarin een vereiste is gesteld dat het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in persoon dient te geschieden. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 3.102 van het Vb 2000 is af te leiden dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier zowel in persoon als niet in persoon kan worden ingediend. Op grond hiervan heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvrager de keuze heeft om zijn aanvraag in persoon dan wel niet in persoon in te dienen.

Anders dan de staatssecretaris betoogt, kan uit de omstandigheid dat op het in artikel 3.26 van het VV 2000 bedoelde (model)formulier voor het doen van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de kop "Hoe dient u een aanvraag in?" vermeld staat dat iedere persoon die een aanvraag doet, aanwezig moet zijn als de aanvraag wordt ingediend, niet worden afgeleid dat de verplichting om in persoon te verschijnen bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aldus is neergelegd in een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit formulier, opgenomen in een bijlage bij artikel 3.26 van het VV 2000, is niet aan te merken als een wettelijk voorschrift.

Het standpunt van de staatssecretaris dat in de toelichting op artikel 3.102 van het Vb 2000 alsmede in het karakter van de verblijfsvergunning regulier besloten ligt dat het in persoon verschijnen bij het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd deel uitmaakt van de verplichting voor de aanvrager om de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb te verschaffen, wordt evenmin gevolgd. Hoewel een verblijfsvergunning persoonsgebonden is, biedt de tekst van artikel 3.102 van het Vb 2000 geen aanknopingspunt voor de door de staatssecretaris voorgestane uitleg van die bepaling dat aan het verstrekken van gegevens en bescheiden, noodzakelijk voor het beslissen op een ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning regulier, de verschijning in persoon van de desbetreffende vreemdeling noodzakelijkerwijs verbonden is. Met die uitleg gaat de staatssecretaris ook voorbij aan het bepaalde in het tweede lid van dat artikel. In dit opzicht heeft de wetgever in een andere regeling voorzien dan die voor aanvragen om een verblijfsvergunning asiel, nu daarvoor in artikel 3.108, tweede lid, van het Vb 2000 uitdrukkelijk is bepaald dat die aanvraag in persoon moet worden ingediend.

De grief faalt in zoverre.

2.1.6. Ten aanzien van het betoog van de staatssecretaris dat de vreemdeling bij het indienen van zijn aanvraag onvoldoende gegevens heeft verstrekt om daarop te kunnen beslissen en hij de aanvraag, nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, niet heeft gecompleteerd, wordt overwogen dat de minister de aanvraag van de vreemdeling, gelet op hetgeen hiervoor in 2.1.4 is overwogen, op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling heeft mogen stellen. Door ervan uit te gaan dat de vreemdeling eerst na het niet op 19 januari 2007 completeren van de aanvraag in verzuim was en te overwegen dat de minister door de aanvraag van de vreemdeling niet in behandeling te nemen zonder hem daaraan voorafgaand in de gelegenheid te hebben gesteld om dat verzuim te herstellen in strijd met artikel 4:5, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld, heeft de rechtbank niet onderkend dat het verzuim reeds is ontstaan bij het indienen van de aanvraag en dat de vreemdeling bij brief van 22 december 2006 in de gelegenheid is gesteld om dit verzuim te herstellen. Hieraan doet niet af dat in die brief ten onrechte is gesteld dat de vreemdeling daartoe in persoon diende te verschijnen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, hoefde de minister de vreemdeling, nadat hij desverzocht de aanvraag niet op 19 januari 2007 met de voor de beoordeling van die aanvraag benodigde gegevens had gecompleteerd, niet nogmaals in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen.

De grief slaagt in zoverre.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het in 2.1.6 overwogene, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 maart 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 6 november 2007 in zaak nr. 07/18298;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Ramrattansing

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008

408.

Verzonden: 10 juni 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak