Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200705770/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) ingestemd met wijzigingen van een saneringsplan voor de locatie [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/4563
JOM 2010/575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705770/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) ingestemd met wijzigingen van een saneringsplan voor de locatie [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college het door [partijen] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 17 november 2005 herroepen en daarvoor in de plaats besloten om niet in te stemmen met het gewijzigde saneringsplan.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Elenbe heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, advocaat te Tiel, en mr. drs. M.H. Veldhuyzen, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. M.G. Stienstra, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op de locatie is verontreinigd puin gestort, dat vervolgens is afgedekt. Bij besluit van 15 december 1998 heeft het college krachtens de Wet bodembescherming een voor deze locatie opgesteld saneringsplan goedgekeurd.

Bij brieven van 14 september 2005 en 12 oktober 2005 is, zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 juni 2007 in zaak nr. 200606080/1, verzocht om wijziging van het saneringsplan. Onder meer is verzocht om wijziging van het saneringsplan wat betreft een talud aan de westzijde van het terrein. In het saneringsplan is vermeld dat het struikgewas op dit talud zal worden gerooid, waarna een laag folie en daarboven een laag schone grond met een dikte van minimaal 30 cm zal worden aangebracht. Verzocht is om in plaats hiervan de kwaliteit van de bestaande toplaag op het talud te bemonsteren, en afhankelijk van de uitkomst van de bemonstering de bestaande situatie te handhaven dan wel de toplaag met begroeiing te verwijderen, het talud trapsgewijs af te werken met een geotextiel en dit af te dekken met een laag grond.

2.2. Bij het bestreden besluit is de aanvankelijke instemming met onder meer de gewijzigde taludafdekking herroepen en is alsnog instemming geweigerd omdat, kort weergegeven, onvoldoende is verzekerd dat bij de gewijzigde wijze van taludafdekking verspreiding van verontreiniging wordt voorkomen.

2.3. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte aanneemt dat bij de gevraagde wijziging de deklaag op het talud zal kunnen uitspoelen, waarna verspreiding van het onder de deklaag aanwezige verontreinigde puin kan plaatsvinden. Wanneer wordt gezorgd voor een adequate afwatering en het talud bovendien wordt beplant met een goed wortelende bodembedekker wordt, zo begrijpt de Afdeling het standpunt van [appellante], de kans dat het verontreinigde puin zich kan verspreiden voldoende beperkt. Verder wijst [appellante] erop dat de in het saneringsplan opgenomen wijze van afwerking van het talud óók erosiegevoelig is.

2.4. Ter beoordeling staat of het college op goede gronden heeft geoordeeld dat de met de Wet bodembescherming te dienen belangen zich verzetten tegen de door [appellante] gevraagde gewijzigde wijze van taludafdekking. Of, zoals [appellante] betoogt, nadelen kleven aan de in het saneringsplan opgenomen wijze van taludafdekking is bij deze beoordeling niet relevant.

Voor zover [appellante] in beroep wijst op de mogelijkheid om het talud met een goed wortelende bodembedekker te beplanten, merkt de Afdeling op dat deze wijze van taludafdekking niet is opgenomen in de brieven van 14 september 2005 en 12 oktober 2005. Gevraagd is om de bestaande begroeiing te handhaven, en ter beoordeling staat of het college op goede gronden instemming met die wijze van taludafdekking heeft kunnen weigeren.

In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat wanneer het talud met de daarop aanwezige begroeiing ongewijzigd in stand wordt gelaten, het niet kan worden uitgesloten dat het talud met name tijdens hevige stortbuien plaatselijk zodanig afkalft dat verontreiniging buiten het perceel geraakt. Mede gezien de ter zitting gegeven toelichting van het college op de plaatselijke situatie, acht de Afdeling deze conclusie juist. Het college heeft daarom op goede gronden kunnen oordelen dat de met de Wet bodembescherming te dienen belangen zich verzetten tegen instemming met de voorgestelde gewijzigde taludafdekking.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat de met de Wet bodembescherming te dienen belangen zich niet verzetten tegen de overige gevraagde wijzigingen. Desondanks heeft het college de aanvankelijke instemming met alle gevraagde wijzigingen herroepen. Volgens hem dient aan de in de brieven van 14 september 2005 en 12 oktober 2005 gevraagde wijzigingen als geheel instemming te worden onthouden wanneer, zoals hier, met één van deze wijzigingen niet kan worden ingestemd. Dit standpunt deelt de Afdeling niet. Tussen de wijze van taludafdekking en de overige gevraagde wijzigingen bestaat, zo is ook ter zitting door het college erkend, geen feitelijke samenhang. Dat de instemming met de taludafdekking moest worden herroepen, betekent dan ook niet dat een noodzaak bestaat de instemming met de overige wijzigingen te herroepen. In zoverre heeft het college bij het bestreden besluit ten onrechte geconcludeerd dat aanleiding bestond de instemming te herroepen.

Het beroep is in zoverre gegrond.

2.6. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 26 juni 2007 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij de instemming met de andere wijzigingen dan de taludafdekking is herroepen. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 26 juni 2007, kenmerk 2007/25231, voor zover daarbij het besluit van 17 november 2005 is herroepen, voor zover dat besluit betrekking heeft op andere wijzigingen dan de afdekking van het westelijke talud;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Limburg aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

262.