Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200705859/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging op de locatie Dorpsstraat 932 te Assendelft en dat spoedige sanering niet noodzakelijk is. Tevens heeft het college bij dit besluit onder voorwaarden ingestemd met het ingediende saneringsplan. Dit besluit is op 12 juli 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bodem 2008/17
JOM 2010/576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705859/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging op de locatie Dorpsstraat 932 te Assendelft en dat spoedige sanering niet noodzakelijk is. Tevens heeft het college bij dit besluit onder voorwaarden ingestemd met het ingediende saneringsplan. Dit besluit is op 12 juli 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.L.I. Meekel, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Parteon Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door P.G.F. Mattijssen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] vreest schade aan zijn woning te ondervinden als gevolg van de werkzaamheden ten behoeve van de sanering van de verontreiniging op de locatie Dorpsstraat 932. Hij voert aan dat het college ten onrechte met het saneringsplan heeft ingestemd nu er geen maatregelen zijn voorgeschreven om op controleerbare wijze vast te stellen of tijdens de saneringswerkzaamheden een relevante daling van het grondwater zal optreden op zodanige wijze dat er risico ontstaat van aantasting van de heipalen onder de huizen van omwonenden. Verder is er volgens [appellant] onvoldoende rekening gehouden met lange-termijn schade.

2.1.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 88, eerste lid, onder a, van de Wet bodembescherming en artikel 1, onder x, van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming stemt het college slechts in met het saneringsplan indien door de daarin beschreven sanering naar zijn oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

2.1.2. Bij een besluit over de instemming met een saneringsplan staat slechts ter beoordeling of de voorgestelde sanering voldoet aan de bij of krachtens artikel 38 van de Wet bodembescherming gestelde regels. In het eerste lid van dit artikel zijn de criteria genoemd waaraan de (uitvoering van de) sanering moet voldoen. Hetgeen appellanten aanvoeren met betrekking tot mogelijke schade heeft geen betrekking op de criteria genoemd in artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming en geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met het saneringsplan heeft kunnen instemmen. De beroepsgrond faalt.

2.2. Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

325-570.