Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200707050/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoor en 12 appartementen op het perceel [locatie 1] te Volendam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707050/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/10585 en 06/11471 van de rechtbank Haarlem van 12 september 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoor en 12 appartementen op het perceel [locatie 1] te Volendam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 oktober 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 september 2007, verzonden op 20 september 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2008, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R.A. Noorhoff, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bouwvergunning heeft verleend aan een niet bestaande firma.

2.1.1. Dat betoog faalt. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab), gelezen in verbinding met paragraaf 1.1., aanhef en onder a, van de daarbij behorende bijlage, voor zover thans van belang, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een reguliere bouwvergunning zijn naam.

In de aanvraag om verlening van de bouwvergunning van 15 december 2004 is [vergunninghoudster] als aanvrager vermeld. Volgens een door [appellanten] in bezwaar overgelegd uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noordwest-Holland van 9 mei 2006 was [belanghebbende] en niet [vergunninghoudster] ten tijde van de aanvraag van 15 december 2004 in dat register ingeschreven.

De rechtbank heeft in de omstandigheid, gelet op de geringe aard van de afwijking, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de aanvraag niet aan het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Biab, gelezen in verbinding met paragraaf 1.1., aanhef en onder a, van de bijlage behorende bij het Biab, gestelde vereiste voldeed.

[belanghebbende] is op 27 september 2005 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven. De tenaamstelling van de verleende vrijstelling en bouwvergunning is, op verzoek van één der voormalige vennoten [naam], op 14 juni 2006 gewijzigd en op diens naam gesteld. Onder die omstandigheid heeft de rechtbank in het desbetreffende betoog van [appellanten] met juistheid evenmin aanleiding gevonden om het bij haar bestreden besluit te vernietigen.

2.2. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat de ruimtelijke onderbouwing van het project, die aan de ten behoeve daarvan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende vrijstelling ten grondslag is gelegd, aan de daaraan te stellen eisen voldoet, heeft miskend dat deze onderbouwing op feitelijke onjuistheden is gebaseerd.

2.3. Het project voorziet in de oprichting van een gebouw, bestaande uit een kantoor op de begane grond en 12 appartementen op de overige drie verdiepingen. Het gebouw heeft een goothoogte van 9,2 m en een nokhoogte van 12,6 m.

2.3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Katham" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "bijzondere doeleinden I". Niet in geschil is dat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Teneinde ten behoeve hiervan toch bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling daarvan verleend.

De ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling is neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing plan [locatie 2] te Volendam" (hierna: de notitie). Hierin heeft het college uiteengezet dat het bouwplan in lijn is met het door provincie en rijk gevoerde beleid, in het bijzonder met betrekking tot de wenselijkheid van bundeling en verdichting van de ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland. Verder past het bouwplan volgens de notitie binnen het beleid dat is neergelegd in de "Structuurvisie Gemeente Edam-Volendam 2000-2010" die door de gemeenteraad op 22 juni 2000 is vastgesteld. Hierin worden, voor zover thans van belang, als belangrijkste uitgangspunten vermeld het bieden van voldoende en ruimtelijk verantwoorde mogelijkheden voor het opvangen van de lokale woningbehoefte en de ruimtebehoefte van het lokale bedrijfsleven, alsmede het waarborgen van een duurzaam leefbare woon-, werk- en recreatiegemeente. Volgens de notitie komt het bouwplan tevens tegemoet aan het gewenste woningbouwprogramma voor de periode tot 2010 en verdraagt het zich goed met de bestaande bebouwing.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling niet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld voldoet. De door [appellanten] gestelde feitelijke onjuistheden zien, wat daarvan verder zij, op een ondergeschikt onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing en leiden daarom niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank, door te overwegen dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen komen, heeft miskend dat hun woonsituaties ten gevolge van de realisering van het bouwplan zullen verslechteren, het bouwplan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet en het college onvoldoende heeft onderzocht of ten gevolge van de realisering ervan verkeersgevaarlijke situaties ontstaan.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de woonsituaties van [appellanten] als gevolg van het bouwplan, zodanig zullen verslechteren, dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Hoewel het bouwplan wat betreft de toegestane goothoogte en de functie van het bestemmingsplan afwijkt, blijft de bouwhoogte van 12,6 m onder de in artikel 8, onder c, van de planvoorschriften gestelde maximale bouwhoogte van 14 m. Voorts treedt geen zodanig verlies op van vrij uitzicht en zodanige vermindering van zonlicht en privacy, dat vorenbedoeld oordeel aangewezen was. Hierbij is van belang dat het perceel zich op circa 30 m van de woningen van [appellanten] bevindt. Volgens het in de notitie weergegeven schaduwdiagram heeft het gebouwde ten aanzien van de woningen van [appellanten] aan de Schoolstraat geen schaduweffect ten gevolge. De stelling dat het onderzoek dat aan dit schaduwdiagram ten grondslag heeft gelegen ondeugdelijk is, hebben zij niet aannemelijk gemaakt.

2.4.2. Voorts heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat niet aan de in de bouwverordening gestelde norm van één parkeerplaats per woning in binnenstedelijk gebied en van één toegevoegde parkeerplaats voor de uitbreiding van de kantoorruimte wordt voldaan, nu in het bouwplan is voorzien in de aanleg van 13 parkeerplaatsen, waarvan zes op eigen terrein en zeven in de directe omgeving van het perceel.

2.4.3. Verder bestaat in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft onderzocht of ten gevolge van het bouwplan verkeersgevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Niet in geschil is dat het college in het kader van de ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie Zuidpolder-Oost onderzoek heeft gedaan naar de verkeersintensiteiten, verkeersveiligheid en leefbaarheid op de gemeentelijke hoofdontsluitingswegen, waarbij ook het kruispunt van de Julianaweg en de Schoolstraat is onderzocht. Nu daarbij niet is gebleken dat ten gevolge van het bouwplan verkeersgevaarlijke situaties zullen ontstaan, heeft het college met dit onderzoek kunnen volstaan en was het doen van nader onderzoek naar dit kruispunt niet vereist voor een zorgvuldige voorbereiding van de vrijstelling.

2.5. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in afwijking van de daarvoor verleende bouwvergunning is gerealiseerd, faalt als niet gericht tegen hetgeen is vergund.

Voor zover [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte hogere geluidswaarden heeft vastgesteld, kan dit betoog evenmin slagen, nu het besluit daartoe in deze procedure niet ter toets staat.

2.6. De voorgedragen beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Reeds hierom bestaat geen aanleiding het college te veroordelen tot de door [appellanten] gevorderde schadevergoeding.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

328-543.