Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200707901/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam (hierna: de raad) een verzoek van [appellante] om toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707901/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5231 van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam (hierna: de raad) een verzoek van [appellante] om toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2007, verzonden op 9 oktober 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 oktober 2006 vernietigd, het besluit van 6 juni 2006 herroepen, [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar aanvraag en bepaald dat deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellante]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2008, waar [appellante], in persoon, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder rechtsbijstand: rechtskundige bijstand aan een rechtzoekende ter zake van een rechtsbelang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat, voor zover in deze wet en de daarop berustende bepalingen geregeld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder rechtzoekende: degene die op grond van onvoldoende financiële draagkracht aanspraak kan maken op rechtsbijstand, voor zover in deze wet en de daarop berustende bepalingen geregeld.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb wordt rechtbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1°. voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2°. (…)

2.2. De raad heeft bij besluit van 6 juni 2006 de aanvraag van [appellante] afgewezen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb, omdat het rechtsbelang betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf en de voortzetting van het beroep of bedrijf niet afhankelijk is van het resultaat van rechtsbijstand en het beroep of bedrijf in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft de raad het primaire besluit gehandhaafd op grond van artikel 1 van de Wrb, omdat [appellante] geen rechtstreeks en individueel belang heeft bij de procedure. Het geschil waarvoor rechtsbijstand is aangevraagd wordt niet door haar gevoerd, maar door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Taco Mirakol B.V. (hierna: de vennootschap), aldus de raad.

2.3. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat niet zij, maar de vennootschap een aanvraag om toevoeging had moeten doen. Zij voert hiertoe aan dat het geschil waarvoor rechtsbijstand is aangevraagd gaat over de nakoming van een sublicentieovereenkomst gesloten in september 2004 tussen de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid in oprichting Taco Mirakol B.V. i.o. en [appellante] Holding B.V. i.o. enerzijds en een derde partij anderzijds. Bij het sluiten van deze overeenkomst was volgens haar geen sprake van rechtspersonen en het karakter van de bedrijfsvoering van de ondernemingen is niet anders geweest dan van een eenmanszaak. Zij heeft deze bedrijven alleen gedreven en alle rechten met betrekking tot de tacohouder "Taco Mirakol" staan op haar naam. Ten slotte betoogt [appellante] dat de raad haar eerder ten behoeve van hetzelfde geschil wel een voorwaardelijke toevoeging heeft verleend.

2.4. Vaststaat dat [appellante] in de civiele procedure waarvoor in deze zaak toevoeging is aangevraagd geen procespartij was en dat daarin door de vennootschap is geprocedeerd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vennootschap als rechtzoekende in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de Wrb moet worden aangemerkt. Anders dan de rechtbank is de Afdeling echter van oordeel dat de raad in het besluit op bezwaar de toevoeging terecht om die reden heeft afgewezen. De rechtbank heeft het primaire besluit ten onrechte herroepen en [appellante] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar aanvraag. De Algemene wet bestuursrecht en de Wrb kennen niet de mogelijkheid om een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2006 van de raad alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu het besluit op bezwaar niet onrechtmatig is bevonden. In deze situatie bestaat geen aanleiding te bepalen dat het door [appellante] in hoger beroep betaalde griffierecht door de raad wordt vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan haar wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2007 in zaak nr. 06/5231;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008.

176-497.