Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200707766/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft de raad van de gemeente Ruurlo (thans: Berkelland) een verkeersbesluit genomen dat, voor zover thans van belang, voor de Dorpsstraat te Ruurlo voorziet in de instelling van een 30 km/uur zone, een geslotenverklaring voor vrachtauto's en het wijzigen van het voorrangsregime.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/3849
O&A 2008, 82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707766/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 september 2007 in zaak nr. 07/145 in het geding tussen:

[appellante sub 2],

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft de raad van de gemeente Ruurlo (thans: Berkelland) een verkeersbesluit genomen dat, voor zover thans van belang, voor de Dorpsstraat te Ruurlo voorziet in de instelling van een 30 km/uur zone, een geslotenverklaring voor vrachtauto's en het wijzigen van het voorrangsregime.

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) het door [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, heeft hij het besluit van 28 maart 2002 in die zin herroepen dat aan [appellante sub 2] een bedrag van € 159.981,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

2 mei 2002 aan nadeelcompensatie is toegekend en heeft hij het verzoek van [appellante sub 2] om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

Bij uitspraak van 20 september 2007, verzonden op 1 oktober 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 december 2006 vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak en het college veroordeeld in de proceskosten van [appellante sub 2] in bezwaar tot een bedrag van € 5.758,57. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2007, en [appellante sub 2] bij brief bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2007, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007. [appellante sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door M.A. Wildenbeest en J.H. Bennink, beiden werkzaam bij de gemeente Berkelland, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] bijgestaan door mr. F. Voerman, advocaat te Doetinchem, en [accountant] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante sub 2] exploiteert een tankstation aan de in het verlengde van de Dorpsstraat gelegen [locatie] te [plaats]. Het geschil in hoger beroep betreft het oordeel van de rechtbank over de hoogte van het aan [appellante sub 2] toegekende bedrag aan nadeelcompensatie en het oordeel van de rechtbank over de proceskosten van [appellante sub 2] in bezwaar.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bij de berekening van de omzetschade als gevolg van minder verkochte liters brandstof niet van de marge op brandstof van vergelijkbare tankstations mocht uitgaan. Het voert aan dat de door [appellante sub 2] gestelde hogere marge op de verkochte brandstoffen wordt verklaard door de handels- en transportactiviteiten van de vennootschap welke buiten beschouwing moeten blijven bij het berekenen van de omzetschade van het tankstation.

2.2.1. Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat [appellante sub 2] het brandstoftransport voor haar tankstation in eigen beheer uitvoert.

Voorts is niet in geschil dat [appellante sub 2] daardoor een hogere marge op brandstofverkoop behaalt dan de marge die tankstations behalen die het brandstoftransport niet in eigen beheer uitvoeren. Het college heeft zijn standpunt dat bij de berekening van de omzetschade deze hogere marge niettemin geheel moet worden geëlimineerd, niet draagkrachtig gemotiveerd.

Het enkele feit dat [appellante sub 2] ook omzet behaalt met andere activiteiten dan de verkoop van brandstoffen bij haar tankstation, is daartoe onvoldoende.

Voor zover het college stelt dat [appellante sub 2] de hoogte van de door haar gestelde hogere marge niet, althans niet voldoende heeft kunnen verklaren uit het brandstoftransport in eigen beheer, rechtvaardigt dit niet dat deze hogere marge geheel wordt geëlimineerd nu het college niet duidelijk heeft gemaakt welke gegevens [appellante sub 2] heeft nagelaten over te leggen teneinde de hoogte van de daadwerkelijk geleden omzetschade vast te kunnen stellen.

De stelling van het college dat de door [appellante sub 2] gestelde hogere marge moet worden geëlimineerd omdat deze mede het gevolg is van een gewijzigde bedrijfsvoering die is doorgevoerd na aankondiging van de verkeersmaatregelen, is eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht en moet daarom wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing blijven.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat in de deskundigenrapporten die aan het bij haar bestreden besluit ten grondslag liggen, bij het berekenen van de schade ten onrechte de bijzondere omstandigheid dat [appellante sub 2] het brandstoftransport in eigen beheer uitvoert is geëlimineerd en is aangesloten bij de lagere marges die tankstations behalen die het brandstoftransport niet in eigen beheer uitvoeren.

De overwegingen van de rechtbank laten evenwel de ruimte om in het nieuw te nemen besluit op bezwaar nader te bezien hoeveel hoger de marge op brandstofverkoop van [appellante sub 2] is ten opzichte van tankstations die het brandstoftransport niet in eigen beheer uitvoeren.

2.3. Het college betoogt voorts dat de rechtbank het ten onrechte heeft veroordeeld in de door [appellante sub 2] gemaakte proceskosten in bezwaar. Het voert aan dat de herroeping van het besluit van 28 maart 2002 niet het gevolg is van een aan hem te wijten onrechtmatigheid, nu [appellante sub 2] eerst in bezwaar de benodigde gegevens heeft overgelegd om te kunnen bepalen of recht bestaat op nadeelcompensatie.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Vanaf 13 december 2001 gold een tijdelijk verkeersbesluit dat een gelijke strekking had als het definitieve verkeersbesluit. In het kader van haar zienswijze tegen het ontwerp-verkeersbesluit heeft [appellante sub 2] gesteld schade te lijden vanwege een verminderde bereikbaarheid van het tankstation. Op het verzoek van de gemeenteraad om die stelling te onderbouwen heeft [appellante sub 2] omzetgegevens overgelegd van de weken 3, 4 en 41 van 2001 en van de weken 3 en 4 van 2002. In het door de raad aangenomen voorstel van het college tot het nemen van het verkeersbesluit is overwogen dat deze omzetgegevens een te geringe periode betreffen en te fragmentarisch zijn om causaal verband vast te kunnen stellen tussen de omzet van [appellante sub 2] en de verkeersmaatregelen. Voorts is daarin overwogen dat, mede gelet op het feit dat het tankstation volledig bereikbaar blijft, niet aannemelijk is gemaakt dat het verkeersbesluit onevenredig nadeel voor [appellante sub 2] met zich brengt. Daarbij is opgemerkt dat voor [appellante sub 2] de mogelijkheid bestaat om in de bezwaarfase, als de gevolgen van de verkeersmaatregelen duidelijker zijn, de omzetgegevens aan te vullen. In bezwaar kon [appellante sub 2] omzetgegevens van een langere periode overleggen en heeft zij dat ook gedaan. Op grond van die gegevens heeft het college besloten [appellante sub 2] alsnog nadeelcompensatie toe te kennen en is het verkeersbesluit in zoverre herroepen. Deze herroeping is daarmee een gevolg van het feit dat, door tijdsverloop tussen het nemen van het verkeersbesluit en het besluit op bezwaar, ten tijde van het nemen van laatstgenoemd besluit wel over de benodigde omzetgegevens kon worden beschikt om te bepalen of recht bestaat op nadeelcompensatie. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het verkeersbesluit is herroepen wegens aan de gemeenteraad te wijten onrechtmatigheid.

Het hoger beroep van het college is in zoverre gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het college daarbij is veroordeeld in de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 5758,57. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellante sub 2] voor zover dat is gericht tegen de weigering de kosten in de bezwaarfase te vergoeden, alsnog ongegrond verklaren.

2.4. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van een verminderde omzet van de bij het tankstation behorende zogenoemde shop.

2.4.1. Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen blijkt uit de door [appellante sub 2] overgelegde gegevens dat de omzet van de shop, ondanks de daling van de omzet wegens gemiste liters brandstof, na de getroffen verkeersmaatregelen in onder meer 2002 en 2003 feitelijk is toegenomen. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellante sub 2] aan haar stelling dat de omzet van de shop niettemin is afgenomen slechts algemene - niet nader geconcretiseerde - branchegegevens ten grondslag heeft gelegd. Gelet hierop is de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel over de omzet van de shop gekomen.

2.5. [appellante sub 2] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door het college gehanteerde kapitalisatiefactor 8 niet onredelijk is. Zij voert aan dat haar contract met de oliemaatschappij niet de levering van brandstof maar slechts zaken als de te voeren naam, het spaarsysteem, de kleurstelling en het uiterlijk van de locatie betreft en dat het contract daarom niet afdoet aan haar positie als eigenaar.

2.5.1. Aan haar oordeel dat de gehanteerde kapitalisatiefactor 8 niet onredelijk is, heeft de rechtbank ten onrechte ten grondslag gelegd dat [appellante sub 2] afhankelijk is van met oliemaatschappijen gesloten leveringscontracten nu [appellante sub 2] geen leveringscontract met een oliemaatschappij heeft maar de voor het tankstation benodigde brandstof afhankelijk van de situatie op de markt inkoopt bij verschillende oliemaatschappijen. Zoals in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag ligt, evenwel terecht is opgemerkt, betekent het feit dat [appellante sub 2] volledig eigenaar is niet dat kapitalisatiefactor 10 moet worden toegepast nu het in dit geval geen onteigening betreft maar omzetschade die samenhangt met de exploitatie van een onderneming en niet met eigendomsverhoudingen.

Hetgeen [appellante sub 2] aanvoert geeft geen grond voor vernietiging van dit onderdeel van de aangevallen uitspraak.

2.6. [appellante sub 2] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het hanteren van een percentage van 40% van het totale schadebedrag wegens normaal maatschappelijk risico niet onredelijk is.

2.6.1. Dit betoog faalt. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juli 2004 in zaak nr. 200306296/1), geldt als uitgangspunt dat het treffen van een verkeersmaatregel, als hier aan de orde, als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten. Dat neemt niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen, waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkenen dient te blijven. De rechtbank heeft, bezien in dat licht, op goede gronden geoordeeld dat het hanteren van een percentage van 40% van het totale schadebedrag wegens normaal maatschappelijk risico in dit geval niet onredelijk is.

2.7. Het hoger beroep van [appellante sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze berust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van het college gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 september 2007 in zaak nr. 07/145 voor zover het college daarbij is veroordeeld in de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 5758,57;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover gericht tegen de weigering de proceskosten in bezwaar te vergoeden ongegrond;

IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Rop

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

417.