Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200707048/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boskoop (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als burgerwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707048/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Boskoop,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/9001 van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 augustus 2007 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boskoop.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boskoop (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als burgerwoning.

Bij besluit van 5 september 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2007 heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 september 2006 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 20 november 2007 heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het door [wederpartij] tegen het besluit van 29 mei 2006 gemaakte bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 december 2007 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 20 november 2007, bij brief van 29 november 2007, ingestelde beroep, met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), doorgezonden aan de Afdeling.

Het college heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij gezonden.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door A. Bosselaar, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. J. Booij, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Sierteeltgebied, na tweede herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden" en subbestemming "Sierteelt".

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

Ingevolge artikel 23, vierde lid, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in lid 1, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.

2.2. Vast staat dat het door [wederpartij] beoogde gebruik van de op het perceel aanwezige bedrijfswoning als burgerwoning in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het besluit van het college om vrijstelling voor het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel als burgerwoning te weigeren onvoldoende is gemotiveerd.

2.3.1. Aan de in artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen, zogeheten, toverformule kan, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 19 december 2007 in zaak nr. 200703532/1, geen toepassing worden gegeven indien een zinvol gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan objectief bezien nog mogelijk is.

[wederpartij] heeft de bij zijn bedrijfswoning behorende gronden op

3 juni 1997 verkocht. Deze gronden zijn samengevoegd met de gronden van een naastgelegen bedrijf. [wederpartij] is in de bedrijfswoning blijven wonen. Het college heeft ten behoeve van het naastgelegen bedrijf een bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning, zodat, zo stelt [wederpartij], gebruik van zijn woning als agrarische bedrijfswoning niet langer mogelijk is.

Het college heeft zich in het besluit van 5 september 2006 op het standpunt gesteld dat zinvol gebruik van de bedrijfswoning van [wederpartij] overeenkomstig het bestemmingsplan nog mogelijk is, omdat splitsing van de gronden van het naastgelegen bedrijf denkbaar is en niet moet worden uitgesloten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt evenwel niet van een aanwijzing dat dit een reële mogelijkheid is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het door [wederpartij] in beroep overgelegde rapport "herstructurering sierteeltgebied regio Boskoop", dat in de raadsvergadering van 7 juli 2007 is besproken, blijkt dat de ontwikkeling in de sierteeltsector juist is gericht op schaalvergroting. Uit dit rapport blijkt voorts dat de gemeente schaalvergroting en herstructurering in de sierteeltsector van groot belang acht om economisch gezond, duurzaam en kwalitatief hoogwaardig te kunnen blijven. De rechtbank is derhalve met juistheid tot het oordeel gekomen dat het besluit van 5 september 2006 in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 20 november 2007 heeft het college opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2006 en dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Dit besluit komt niet tegemoet aan het bezwaar van [wederpartij]. Nu het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank uitsluitend door het college is ingesteld en [wederpartij] beroep had ingesteld tegen het door de rechtbank vernietigde besluit van 5 september 2006, moet [wederpartij], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, geacht worden beroep te hebben ingesteld tegen het besluit van het college van 20 november 2007, zodat dit besluit deel uitmaakt van het onderhavige geding. Het bij de rechtbank ingediende beroep wordt bij de behandeling van het hoger beroep betrokken.

2.6. De door het college aan het besluit van 20 november 2007 ten grondslag gelegde stelling dat in de sierteeltsector eveneens een omgekeerde beweging gaande is, waarbij de nadruk ligt op intensivering van het ruimtegebruik en specialisatie en waarbij vergroting van het bedrijfsoppervlak niet noodzakelijk is, is niet geconcretiseerd en evenmin aannemelijk gemaakt. Dit leidt dan ook niet tot de conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zinvol gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan objectief bezien nog mogelijk is. Het besluit van 20 november 2007 berust in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht evenmin op een deugdelijke motivering. Gelet hierop zal de Afdeling het besluit van 20 november 2007 vernietigen.

In verband met het voorgaande dient het college een nieuw besluit te nemen met inachtneming van en binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.

2.7. Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boskoop van 20 november 2007 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boskoop van 20 november 2007, registratienummer 20702928;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Boskoop op binnen zes weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boskoop tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro); het dient door de gemeente Boskoop onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. bepaalt dat van de gemeente Boskoop griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

270-552.