Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200707044/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) geweigerd de op 11 mei 2004 aan [vergunninghoudster] verleende bouwvergunning voor de bouw van twee vleeskuikenstallen met loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) in te trekken.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/254
JOM 2008/636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707044/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/896 van de rechtbank Almelo van 5 september 2007 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) geweigerd de op 11 mei 2004 aan [vergunninghoudster] verleende bouwvergunning voor de bouw van twee vleeskuikenstallen met loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) in te trekken.

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college het door [wederpartij], [14 andere wederpartijen] (hierna: [wederpartij] e.a.) daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door [7 partijen] (hierna: [partij] e.a.) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] e.a. daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het door [partij] e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 2 oktober 2007 hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007.

[wederpartij] e.a. hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [wederpartij] e.a. beslist en deze ongegrond verklaard.

[wederpartij] e.a. hebben een reactie ingediend.

Het college heeft een reactie ingediend.

[vergunninghoudster] is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen en heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Willems, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij] e.a., vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen (hierna: Van Groningen), advocaat te Middelharnis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Indien de rechtbank een besluit van een bestuursorgaan heeft vernietigd, heeft dat bestuursorgaan in beginsel procesbelang bij het instellen van hoger beroep indien het bestuursorgaan met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit moet nemen. Dat het college inmiddels op 13 november 2007 een nieuw besluit heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel. Met het ingestelde hoger beroep kan het college immers bereiken dat met vernietiging van de uitspraak van de rechtbank aan dit besluit de grondslag komt te ontvallen. Het college heeft dan ook, anders dan [wederpartij] e.a. hebben gesteld, belang bij een beoordeling van het hoger beroep.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de bezwaren van [wederpartij] e.a. tegen het besluit van 24 januari 2006 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het onredelijk was een schriftelijke machtiging te verlangen.

2.2.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Hoewel, zoals het college heeft gesteld, uit de Memorie van Toelichting behorende bij voormeld artikel volgt dat ook van advocaten een schriftelijke machtiging kan worden gevraagd, blijkt uit die toelichting eveneens dat deze bevoegdheid aan het bestuur is verleend omdat van bestuursorganen niet kan worden gevergd dat zij weten of een persoon advocaat is. Van Groningen is in de procedure omtrent de verlening van de bouwvergunning tevens als advocaat voor [wederpartij] e.a. opgetreden. Hij was derhalve als advocaat van betrokkenen bekend bij het college. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het in dit geval onredelijk was om een schriftelijke machtiging te verlangen en de bezwaren van [wederpartij] e.a. tegen het besluit van 24 januari 2006 ten onrechte om die reden niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Het betoog faalt.

2.3. Voorts betoogt het college dat de rechtbank heeft miskend dat de bezwaren van [4 wederpartijen] niet-ontvankelijk konden worden verklaard wegens het ontbreken van belanghebbendheid bij het besluit van 24 januari 2006.

2.3.1. De Afdeling stelt voorop dat beslissend voor de vraag of het college terecht de bezwaren van [1 wederpartij] niet-ontvankelijk heeft verklaard, is of zij ten tijde van het nemen van het besluit van 27 juni 2006 een belang had als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de heroverweging van het besluit van 24 januari 2006. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2006 in zaak nr. 200506659/1 is de Afdeling thans van oordeel dat niet aannemelijk is dat ten tijde van het nemen van het besluit van 27 juni 2006 nog de reële mogelijkheid bestond dat [1 wederpartij] weer intrek zou nemen in een woning gelegen nabij het perceel. Ter zitting is immers komen vast te staan dat zij op dat tijdstip niet langer in de omgeving van het perceel woonde, maar dat zij zo nu en dan in de weekenden verbleef in een eigen ruimte in het huis van haar dochter in de omgeving van het perceel. Zij is dan ook geen belanghebbende bij het besluit van 24 januari 2006. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Uit de uitspraak van 5 juli 2006 volgt voorts dat het college [3 wederpartijen] terecht niet-ontvankelijk heeft geacht in hun bezwaar vanwege het ontbreken van belanghebbendheid bij de op 11 mei 2004 aan [vergunninghoudster] verleende bouwvergunning. Gelet hierop zijn zij ook geen belanghebbende bij de intrekking daarvan. Het college heeft de door hen ingediende bezwaren tegen het besluit van 24 januari 2006 dan ook terecht om die reden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

Het betoog slaagt.

2.4. Tot slot betoogt het college dat de rechtbank het beroep van [wederpartij] e.a. tegen het besluit van 27 juni 2006 ongegrond had moeten verklaren door zelf in de zaak te voorzien. Volgens het college was er slechts één beslissing mogelijk, nu de rechtbank in haar uitspraak reeds terzake van het beroep van [partij] e.a. een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over dat besluit.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Uit de tekst van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb blijkt dat de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart, kan bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Een plicht daartoe bestaat evenwel niet.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het college ten onrechte de bezwaren van [4 wederpartijen] niet-ontvankelijk heeft geacht.

2.6. Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college, naar aanleiding van de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de door [wederpartij] e.a. tegen het besluit van 24 januari 2006 gemaakte bezwaren en deze, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank, ongegrond verklaard.

Dit besluit komt niet tegemoet aan de bezwaren van [wederpartij] e.a. Nu het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank uitsluitend door het college is ingesteld en [wederpartij] e.a. beroep hadden ingesteld tegen het door de rechtbank vernietigde besluit van 27 juni 2006, moeten [wederpartij] e.a., gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, geacht worden beroep te hebben ingesteld tegen het besluit van het college van 13 november 2007, zodat dit besluit deel uitmaakt van het onderhavige geding.

2.7. Nu in hoger beroep is komen vast te staan dat het college terecht de bezwaren van [4 wederpartijen] niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt de grondslag van het besluit van 13 november 2007 in zoverre te ontvallen.

2.8. [wederpartij] e.a. betogen dat het college bij het besluit van 13 november 2007 geen rekening heeft gehouden met nieuwe feiten en omstandigheden die volgens hen tot gevolg hadden moeten hebben dat het college alsnog op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet de op 11 mei 2004 aan [vergunninghoudster] verleende bouwvergunning zou intrekken.

2.8.1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 5 september 2007 het geschil beperkt tot de vraag of de bouwvergunning kon worden ingetrokken op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Deze beperking ziet echter slechts op het door [partij] e.a. ingestelde beroep. De rechtbank heeft ten aanzien van het door [wederpartij] e.a. ingestelde beroep overwogen dat het college de door [wederpartij] e.a. gemaakte bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat ten aanzien van het beroep van [wederpartij] e.a. geen inhoudelijk oordeel is gegeven. Gelet hierop kunnen [wederpartij] e.a. in hun beroep tegen het besluit van 13 november 2007 alsnog aanvoeren dat het college bij dat besluit op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet de bouwvergunning had moeten intrekken. Gelet hierop en gelet op het feit dat in het kader van de heroverweging van een besluit als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb alle feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn dienen te worden meegenomen, is de Afdeling van oordeel dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met nieuwe feiten en omstandigheden die tot gevolg zouden kunnen hebben dat het college alsnog op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bevoegd is de op 11 mei 2004 aan [vergunninghoudster] verleende bouwvergunning in te trekken.

Het betoog slaagt.

2.9. Het beroep is gegrond. De Afdeling zal het besluit van 13 november 2007 vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10. Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 september 2007 in zaak nr. 06/896, voor zover de rechtbank het besluit van 27 juni 2006 heeft vernietigd, voor zover het bezwaar van [4 wederpartijen] niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het door [4 wederpartijen] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen van 13 november 2007, kenmerk UIT2007.7102 gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen van 13 november 2007, kenmerk UIT2007.7102;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen tot vergoeding van bij [wederpartij] e.a. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haaksbergen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

270-552.