Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200707007/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2004, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen de aanleg van riolering en het ophogen van gronden ten behoeve van de aanleg van de nieuwbouwwijk "De Hasselt" te Lage Mierde door de gemeente, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707007/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3708 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 augustus 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2004, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen de aanleg van riolering en het ophogen van gronden ten behoeve van de aanleg van de nieuwbouwwijk "De Hasselt" te Lage Mierde door de gemeente, afgewezen.

Bij besluit van 23 november 2004, voor zover thans van belang, heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2006 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar beslist.

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2007, verzonden op 22 augustus 2007, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat het college opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar beslist. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 oktober 2007.

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 25 februari 2004 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Bij besluit van dezelfde dag heeft het de gemeente op straffe van een dwangsom gelast de met de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 88" en het bestemmingsplan "De Hasselt" strijdige situatie te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college de aan het besluit van 2 oktober 2007 verbonden begunstigingstermijn verlengd tot en met 12 februari 2008.

Bij besluit van 21 februari 2008 heeft het de aan de gemeente opgelegde last ingetrokken.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. A.C.P.M. van Dun, advocaat te Tilburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De aanleg van de riolering en de ophoging van de gronden, waarop het bij besluit van 25 februari 2004 afgewezen verzoek ziet, heeft plaatsgevonden op gronden die gelegen zijn achter het perceel van [wederpartij]. De werkzaamheden zijn uitgevoerd ter voorbereiding van een nieuwe woonwijk. [wederpartij] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij op zijn perceel wateroverlast ondervindt van de aangelegde werken.

Op de desbetreffende gronden zijn drie bestemmingsplannen van toepassing, te weten "Buitengebied 88", "Buitengebied 98" en "Hasselt".

Niet meer in geschil is dat de werkzaamheden, uitgevoerd op de gronden waarop de bestemmingsplannen "Buitengebied 88" en "Buitengebied 98" van toepassing zijn, in strijd zijn met de bij die plannen behorende voorschriften.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet in strijd is gehandeld met het bestemmingsplan "Hasselt".

2.2.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 mei 2006 in zaak nr. 200507265/1, JB 2006, 210), heeft het niet instellen van hoger beroep door een bestuursorgaan tegen een uitspraak van de rechtbank, waarbij zij over hetgeen het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld, tot gevolg dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging van dat besluit ten grondslag gelegde overwegingen.

2.2.2. In de uitspraak van 26 april 2006 heeft de rechtbank overwogen dat de werken die zijn aangelegd op de gronden, waarop het bestemmingsplan "Hasselt" van toepassing is, in strijd zijn met de daarop rustende bestemming "Agrarisch gebied, onbebouwd" en het college ter zake van deze werken handhavend kan optreden. Aldus heeft zij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat het aanbrengen van de ophogingen en het aanleggen van de riolering in strijd is met het bestemmingsplan "Hasselt". Nu het college hiertegen geen hoger beroep heeft ingesteld, moet derhalve thans worden aangenomen dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met de voornoemde drie bestemmingsplannen.

2.3. In geval van overtreding van een wettelijk voorschrift zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken, gezien het algemeen belang dat met handhaving is gediend. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan daarvan afzien. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van handhavend optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn, in verband waarmee het van handhaving mocht afzien. Het acht het algemeen belang dat gediend is met de aanleg van de nieuwe woonwijk zwaarder wegen, dan het belang van [wederpartij] bij het tegengaan van wateroverlast op zijn perceel.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 18 juli 2006 geen concreet zicht op legalisering bestond. Het begin met de procedure op de voet van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is gemaakt na het besluit van 18 juli 2006.

Voorts vormen, gelet op de bestemmingen "Agrarisch kernrandgebied en "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde","Agrarisch gebied onbebouwd" en "Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden", alsmede de bepaling in de planvoorschriften dat bebouwing slechts mogelijk is ten dienste van die bestemmingen, de aanleg van riolering en het ophogen van de gronden ter voorbereiding van een nieuwbouwwijk geen overtredingen van slechts zeer geringe aard en ernst. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het besluit op bezwaar niet op een voldoende draagkrachtige motivering steunt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, worden de besluiten van 2 oktober 2007, 29 januari en 21 februari 2008 tevens geacht voorwerp te zijn van de gedingen in hoger beroep.

2.7. Bij het besluit van 21 februari 2008 heeft het college dat van 2 oktober 2007 ingetrokken, voor zover daarbij aan de gemeente een last op straffe van een dwangsom is opgelegd. Gebleken is dat ten tijde van dit besluit een ontwerp van de krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen vrijstelling ter inzage lag. Nu ten tijde van het besluit van 21 februari 2008 met de vrijstellingsprocedure aldus een begin was gemaakt, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat zodanig concreet zicht op legalisering van de werken bestond, dat het college in verband daarmee van handhaving mocht afzien. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 21 februari 2008 is ongegrond.

In verband hiermee hebben de gemeente en [wederpartij] geen belang meer bij de beroepen tegen de besluiten van 2 oktober 2007 en 29 januari 2008, zodat die beroepen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van de gemeente Reusel-De Mierden tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 2 oktober 2007 niet-ontvankelijk;

III. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 29 januari 2008 niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 21 februari 2008 ongegrond

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Reusel-De Mierden aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. bepaalt dat van de gemeente Reusel-De Mierden een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

328-567.