Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200706983/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning met garage op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706983/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/1710 en 07/1711 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 13 augustus 2007

in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning met garage op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het college het door [appellanten] (hierna: [appellant]) tegen het besluit van 1 februari 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft het ontbreken van een adequaat welstandsadvies en voor het overige ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 13 augustus 2007, verzonden op 21 augustus 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.R.M. Koopman, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bangert en Oosterpolder herziening ex artikel 30 WRO" rust op het perceel de bestemming "Gemengd Lint (uit te werken)".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Gemengd Lint (uit te werken)" aangewezen gronden onder meer bestemd voor woningen, waarbij, voor zover hier van belang, mede de bepaling van toepassing is dat als woning zijn toegestaan eensgezinswoningen met de daarbij behorende erven en tuinen.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de planvoorschriften mag op gronden met de bestemming "Gemengd Lint (uit te werken)" niet worden gebouwd dan nadat het plan voor de betreffende gronden is uitgewerkt in de zin van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2. Vaststaat dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan omdat het college tot nu toe geen uitwerkingsplan heeft vastgesteld, waardoor bouwplannen voor percelen met onder meer de onderhavige bestemming worden getroffen door het in het bestemmingsplan opgenomen bouwverbod.

2.3. Anders dan [appellant] betoogt, is de voorzieningenrechter op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. Voor toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO bestond geen aanleiding, gezien de notitie van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vastgesteld bij besluit van 27 juni 2000, nadien gewijzigd, over de wijze waarop zij invulling geven aan artikel 19 van de WRO. Ingevolge deze notitie kan het college zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO voor projecten die niet afwijken van vastgesteld provinciaal ruimtelijk beleid of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid en die geen speerpunten van beleid, zoals aangegeven in de notitie betreffen, alsmede voor projecten waarbij er sprake is van een nieuwe functie, maar over de aanvaardbaarheid van deze functie reeds een uitspraak is gedaan door bijvoorbeeld een goedkeuringsbesluit van een bestemmingsplan. Van een functiewijziging, zoals door [appellant] gesteld, is hier geen sprake, nu de in geding zijnde gronden zijn bestemd voor woningen.

2.4. Anders dan [appellant] betoogt, is de voorzieningenrechter op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college bij het verlenen van de vrijstelling de betrokken belangen met de vereiste zorgvuldigheid heeft afgewogen, waarbij het college aan het belang van [vergunninghouder] voor de bouw van de woning met garage, tegenover het belang van [appellant] doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen.

De stelling van [appellant] dat het college bij de belangenafweging er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat had behoren te worden nagegaan in hoeverre er alternatieven zijn voor het bouwplan van [vergunninghouder], faalt. Het college heeft immers eerst en vooral te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat door [vergunninghouder] in ingediend. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat daarvan in dit geval sprake is heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt.

Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat bij de afweging van de belangen de resultaten van een planschaderisicoanalyse vooraf had behoren plaats te vinden. De voorzieningenrechter is tot het juiste oordeel gekomen dat het college niet gehouden was een planschaderisicoanalyse te laten opstellen alvorens medewerking aan het bouwplan te verlenen.

Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter.

2.5. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de gevraagde bouwvergunning terecht heeft verleend. De voorzieningenrechter is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

202.