Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200705984/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het exploiteren van een café/bar aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 314 met annotatie van F.R. Vermeer
Module Horeca 2008/1855
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705984/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4492 van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de burgemeester van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het exploiteren van een café/bar aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 9 november 2006 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2007, verzonden op 16 juli 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 november 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2007.

Bij besluit van 6 november 2007 heeft de burgemeester het door [wederpartij] tegen het besluit van 29 augustus 2005 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard, dat besluit herroepen en vergunning verleend voor de exploitatie van de horeca-inrichting.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2008, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan, ambtenaar in dienst van de gemeente, en A.C. van den Berg, politiemedewerker horeca, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: de APV) is het, voor zover thans van belang, verboden een inrichting te exploiteren zonder:

a. voorlopige exploitatievergunning, of

b. exploitatievergunning.

Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid, kan de burgemeester de vergunning weigeren, als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.

Ingevolge het derde lid houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond rekening met:

a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

b. de aard van de inrichting;

c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

d. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;

[…].

2.2. De burgemeester heeft de vergunningaanvraag van [wederpartij] ten behoeve van de exploitatie van café [naam] afgewezen, omdat volgens hem de vrees gewettigd is dat verlening van de vergunning zal leiden tot een verdere aantasting van de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting. Hij heeft daarbij van belang geacht dat zich in de directe nabijheid van de inrichting rondom het Slaghekplein in het recente verleden diverse ernstige geweldsincidenten hebben voorgedaan. De problemen worden volgens de burgemeester voornamelijk veroorzaakt door groepen hangjongeren uit heel Rotterdam Zuid, die het gebied gebruiken als trefpunt en als uitvalsbasis. Gevolgen hiervan zijn groepsgedrag met een zeer intimiderende uitstraling, handel in verdovende middelen en oneigenlijk gebruik van straatmeubilair. Gelet hierop acht de burgemeester het gewenst dat op deze plek niet een café, maar een andersoortige horeca-inrichting komt die de omgeving in mindere mate belast, zoals een lunchroom of broodjeszaak waarbij geen alcohol wordt geschonken. Hij heeft in het besluit op bezwaar voorts benadrukt dat zijn besluit niet is gebaseerd op een gebrek aan vertrouwen in de ondernemer, maar is terug te voeren op de omgevingsfactoren.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich bij zijn besluit met name heeft laten leiden door zijn algemene bevindingen over het gebied, zonder dat hij daarbij concreet heeft aangegeven dat een horeca-inrichting voor meer overlast gaat zorgen. Hij is er volgens de rechtbank niet in geslaagd aan te tonen dat het zeer reëel is dat door vestiging van de door [wederpartij] beoogde inrichting - met een alcoholfunctie - de problemen in de omgeving van de [locatie] worden vergroot. Zij heeft het besluit op bezwaar daarom vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.1. De burgemeester bestrijdt deze overwegingen terecht.

Dat het pand [locatie] is gelegen in een kwetsbaar en onveilig gebied, is niet in geschil. Dat beeld wordt ook bevestigd door de in hoger beroep door de burgemeester overgelegde overzichten van incidenten. De overlast legt een grote druk op het woon- en leefklimaat rondom het pand.

Het is aannemelijk dat een café waar alcohol wordt geschonken die druk zal doen toenemen en tot een verdere aantasting van de openbare orde en veiligheid zal leiden. Zoals de burgemeester in hoger beroep heeft aangevoerd is het algemeen bekend dat onder invloed van alcohol vaker misdrijven en overtredingen worden begaan. Ook indien het café door een deskundige ondernemer wordt geëxploiteerd, vindt een toeloop op het café plaats die de omgeving in bepaalde mate zal belasten. Dat een leegstaand pand ook tot problemen kan leiden, zoals de rechtbank heeft overwogen, betekent voorts niet dat de voorgenomen exploitatie van een café in het belang van de openbare orde en veiligheid is. In het pand kan een inrichting zonder alcoholfunctie worden geëxploiteerd, zodat vandalisme als gevolg van leegstand, noch de door de burgemeester gevreesde alcoholgerelateerde overlast zich zal voordoen. De burgemeester heeft zijn oordeel, dat een café het woon- of leefklimaat in de omgeving nadelig zal beïnvloeden, blijkens het besluit van 29 augustus 2005 mede gebaseerd op adviezen van de politie en de deelgemeente Feijenoord. Het telefonische advies van de politie is op 29 december 2007 schriftelijk bevestigd door de brigadier van Politie Rotterdam-Rijnmond.

Het besluit op bezwaar berust aldus op een deugdelijke motivering. De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- of leefklimaat in de omgeving nadelig zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van een café in het pand [locatie].

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, beoordeelt de Afdeling thans het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 9 november 2006.

2.6. [wederpartij] heeft aangevoerd dat hij een nieuwe exploitant is en dat bezwaren tegen de vorige exploitant op geen enkele wijze met hem in verband kunnen worden gebracht. Volgens hem heeft de burgemeester daarom ten onrechte overwogen dat het verlenen van een vergunning aan [wederpartij] het risico zou inhouden van een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat, alsmede dat dit risico zou worden versterkt doordat onder de vorige exploitant drugshandel vanuit de inrichting heeft plaatsgevonden.

2.6.1. Bij besluit van 24 februari 2004 heeft de burgemeester de horeca-inrichting [naam] voor de duur van één jaar gesloten in verband met de handel in verdovende middelen in en vanuit die inrichting. De eigendom van het pand is nadien overgegaan naar een nieuwe eigenaar en [wederpartij], die het pand huurt, heeft op 29 december 2004 een exploitatievergunning aangevraagd voor een café met dezelfde naam en inrichting.

In het besluit op bezwaar is overwogen dat er geen gebrek aan vertrouwen is in de persoon [wederpartij]. Het standpunt van de burgemeester dat de aanwezigheid van de inrichting tot een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat zal leiden, is ook niet gebaseerd op de omstandigheid dat de inrichting voorheen bekend stond als een inrichting van waaruit dealers harddrugs verkochten. Zoals de burgemeester heeft gesteld, is de loop van de drugsklanten er door het tijdsverloop inmiddels vermoedelijk uit. Hij verwacht echter niet dat het café, nu [wederpartij] het onder dezelfde benaming en inrichting wil voortzetten, een geheel ander publiek zal trekken. Het besluit op bezwaar is aldus deugdelijk gemotiveerd. Het betoog faalt derhalve.

2.7. [wederpartij] heeft voorts aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte de risico's van alcoholverstrekking als dragende grond voor weigering heeft gehanteerd, nu de alcoholverstrekking voorheen geen grond opleverde voor intrekking van de exploitatievergunning.

2.7.1. Dit betoog faalt eveneens. Voor intrekking van een vergunning gelden ingevolge artikel 2.3.6, vierde lid, van de APV andere criteria dan voor de weigering daarvan. Het enkele bestaan van risico's die met alcoholverstrekking gepaard gaan, is geen grond voor intrekking van de vergunning. Alleen indien zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het openblijven van de inrichting gevaar voor de openbare orde oplevert of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting, kan de vergunning worden ingetrokken. Bij de afweging of vervolgens van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, komt aan het belang van de vergunninghouder, vanwege zijn bestaande rechten, veel gewicht toe. Een nieuwe exploitant heeft geen bestaande rechten. Dat de alcoholverstrekking in het verleden niet heeft geleid tot intrekking van de vergunning, betekent daarom niet dat die verstrekking thans niet aan vergunningverlening in de weg kan staan. Daarbij laat de Afdeling in het midden of de omstandigheden in de omgeving van de inrichting destijds vergelijkbaar waren met de situatie ten tijde van het besluit op bezwaar.

2.8. [wederpartij] heeft ten slotte aangevoerd dat het besluit op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het exploitatieplan daarin niet is besproken. Dat plan, alsmede zijn persoon, bieden volgens hem voldoende waarborg om de gevreesde aantasting van het woon- en leefklimaat ongegrond te achten.

2.8.1. Ook dit betoog faalt. Blijkens zijn pleitnota heeft de burgemeester op de zitting bij de rechtbank hierover opgemerkt dat hij uiteraard wel heeft gekeken naar dit plan, maar dat er, gelet op de stand van zaken in de omgeving van de inrichting, het plan zelf en het verleden van het café, voldoende grond is om te vrezen dat heropening van het café verstoring van de openbare orde en/of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat van de omgeving in de hand zal werken. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

2.9. De conclusie is dat de burgemeester, gegeven de aard van de inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat, bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhaving van de weigering vergunning te verlenen. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 9 november 2006 is derhalve ongegrond.

2.10. De burgemeester heeft, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, bij besluit van 6 november 2007 opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist. Met vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan dit besluit de grondslag komen te ontvallen. Dit besluit dient derhalve eveneens te worden vernietigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2007 in zaak nr. 06/4492;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van 6 november 2007, kenmerk A.B.2007.1.05512/EJA.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Visser

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

148.