Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200706249/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer geweigerd voor een geitenhouderij, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 juli 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/1251
JOM 2008/464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706249/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer geweigerd voor een geitenhouderij, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 juli 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 september 2007.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, en het college, vertegenwoordigd door N.E.M.C. Dekkers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

[appellant] heeft zienswijzen naar voren gebracht over stankhinder. De beroepsgrond dat het college in het verleden het standpunt heeft ingenomen dat opfokgeiten voor wat betreft de berekening van de geuremissie niet relevant zijn - ter onderbouwing waarvan wordt gewezen op de omstandigheid dat [appellant] in een procedure over de verlening van een vergunning voor een nabijgelegen inrichting heeft afgezien van het indienen van zienswijzen omdat het college van mening was dat voor opfokgeiten tot één jaar geen berekening van de geuremissie nodig is - heeft eveneens betrekking op stankhinder. Anders dan het college stelt, is het beroep op dit punt ontvankelijk.

2.2. Aan [appellant] is eerder een revisievergunning verleend voor het houden van 2.615 geiten, waaronder 725 melkgeiten en 1.450 opfokgeiten tot één jaar. De geweigerde vergunning ziet op een door hem gevraagde uitbreiding van 721 opfokgeiten met de leeftijd tot één jaar binnen de bestaande gebouwen.

2.3. [appellant] betoogt dat het college de gevraagde vergunning ten onrechte heeft geweigerd. Daartoe voert hij aan dat het college de aangevraagde opfokgeiten - op basis van een fictieve verhouding - ten onrechte heeft beoordeeld als melkgeiten. Voor de gehanteerde verhouding is volgens [appellant] geen basis te vinden in de van toepassing zijnde richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn). Vergelijkingen met andere regelgeving als steun voor het standpunt dat de opfokgeiten apart moeten worden beoordeeld, zijn volgens hem niet aan de orde. Verder voert hij aan dat nu in de richtlijn geen omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden voor opfokgeiten zijn opgenomen er met de gevraagde uitbreiding geen toename van stank kan zijn. Bovendien is ook voor het college onduidelijk hoeveel de stankbelasting zou toenemen, zodat het besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt, aldus [appellant].

2.3.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.2. Het college heeft bij de beoordeling van de stankhinder de richtlijn tot uitgangspunt genomen.

Het college stelt zich op het standpunt dat volgens de gangbare landbouwpraktijk ter vervanging van melkgeiten gemiddeld 0,3 stuks opfokgeiten per melkgeit op een bedrijf noodzakelijk zijn en dus ter vervanging van de 725 aanwezige melkgeiten op het bedrijf slechts 218 opfokgeiten aanwezig hoeven te zijn. Het reeds vergunde aantal van 1.450 opfokgeiten is dus al vele malen groter dan nodig, aldus het college. Gezien voornoemde gangbare landbouwpraktijk is de thans gevraagde uitbreiding met opfokgeiten volgens het college niet bedoeld ter vervanging van de melkgeiten en dienen deze opfokgeiten daarom apart te worden beschouwd en wel als melkgeiten nu voor opfokgeiten geen omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden of vaste afstanden in onderscheidenlijk bijlage 1 en 2 van de richtlijn zijn opgenomen. Bevestiging voor het apart moeten beoordelen van de aangevraagde opfokgeiten kan volgens het college onder meer worden gevonden in de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden. Het vorenstaande betekent dat het aantal melkgeiten en daarmee het aantal mestvarkeneenheden toeneemt. Nu het hier een uit het oogpunt van stankhinder reeds overbelaste situatie betreft, is een toename van stank onaanvaardbaar, aldus het college.

2.3.3. Vast staat dat in bijlage 1 en 2 van de richtlijn geen omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden dan wel vaste afstanden voor opfokgeiten tot één jaar zijn opgenomen. Dit betekent evenwel niet - zoals [appellant] ook ter zitting heeft erkend - dat van het houden van deze dieren geen stankhinder is te duchten. Het college dient dan ook te beoordelen welk beschermingsniveau het aanvaardbaar acht. [appellant] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat op zijn bedrijf meer opfokgeiten tot één jaar worden gehouden dan noodzakelijk ter vervanging van de aanwezige melkgeiten. De Afdeling acht het standpunt van het college, dat deze aangevraagde opfokgeiten apart als melkgeiten moeten worden beoordeeld, niet in strijd met het recht. Nu [appellant] voorts niet heeft bestreden dat reeds een uit het oogpunt van stankhinder overbelaste situatie bestaat, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat een toename van het aantal opfokgeiten tot één jaar onaanvaardbaar is. Het college heeft de gevraagde vergunning terecht geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

373-491.