Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3597

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200703126/1 en 200703171/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2007 hebben het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) en de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) vastgesteld dat sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging op de deellocaties A, B, C en G en omgeving van de locatie Scherpekamp in de uiterwaarden te Angeren, gemeente Lingewaard, en dat spoedige sanering noodzakelijk is. Bij onderscheiden besluit van 23 maart 2007 hebben het college en de minister onder voorwaarden ingestemd met het voor deze deellocaties ingediende saneringsplan.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 74 met annotatie van J.H.G. van den Broek
Module Ruimtelijke ordening 2008/4807
JOM 2010/565
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703126/1 en 200703171/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland en de minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2007 hebben het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) en de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) vastgesteld dat sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging op de deellocaties A, B, C en G en omgeving van de locatie Scherpekamp in de uiterwaarden te Angeren, gemeente Lingewaard, en dat spoedige sanering noodzakelijk is. Bij onderscheiden besluit van 23 maart 2007 hebben het college en de minister onder voorwaarden ingestemd met het voor deze deellocaties ingediende saneringsplan.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2007, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2007, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden van zijn beroepen aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2007. [appellante sub 2] heeft de gronden van haar beroepen aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2007.

Het college en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellante sub 2], het college en de minister hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 26 februari 2008, waar zijn verschenen [appellant sub 1], in persoon, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. A. de Feijter, advocaat te Arnhem, en mr. S.W. Knoop, advocaat te Zwolle, bijgestaan door H.J. Sluiter en ing. R. van der Zwaan, het college, vertegenwoordigd door mr. I.A.A. Manders, ing. G.C. van Leeuwen en ir. W. van Hoorn, allen werkzaam bij de provincie, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.C.M. Keijser-Vermeulen en T.J.M. Joosten. Verder is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail), vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door J.A. Groen, [belanghebbenden], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellante sub 2] heeft haar beroepsgrond over doorzending van het beroepschrift als bezwaarschrift en haar beroepsgrond over het asbestonderzoek ter zitting ingetrokken.

Ontvankelijkheid [appellant sub 1]

2.2. Het college, de minister en ProRail stellen zich op het standpunt dat [appellant sub 1] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat zijn beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

2.2.1. [appellant sub 1] stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk belanghebbende is. Volgens hem leiden de betrokken verontreinigingen tot vervuiling van de Rijn en de Maas, hetgeen gevolgen heeft voor de kostprijs van zijn kraanwater. Verder ziet hij het als zijn burgerplicht om onnodige milieumisstanden aan de orde te stellen.

2.2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van de Wet bodembescherming beroep bij de Afdeling instellen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.3. Gesteld noch gebleken is dat [appellant sub 1] rechthebbende is ten aanzien van de verontreinigde gronden of gronden in de omgeving daarvan. Het belang dat [appellant sub 1] bij de bestreden besluiten meent te hebben in verband met de door hem gestelde gevolgen van de verontreinigingen voor de kostprijs van zijn kraanwater, kan niet worden beschouwd als een persoonlijk, rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken belang dat hem zodanig onderscheidt van anderen, dat hij op grond daarvan als belanghebbende bij die besluiten kan worden aangemerkt. Ook anderszins is van een zodanig belang niet gebleken.

2.2.4. Voor zover [appellant sub 1] stelt het als zijn burgerplicht te zien om onnodige milieumisstanden aan de orde te stellen, komt hij kennelijk in beroep ter behartiging van een algemeen belang. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 25 juni 2003 in zaak nr. 200202381/1, volgt uit artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop kan [appellant sub 1], voor zover hij beoogt op te komen voor een zodanig belang, evenmin als belanghebbende worden aangemerkt.

2.3. Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ontvankelijkheid [appellante sub 2]

2.4. Het college, de minister en ProRail stellen zich op het standpunt dat de beroepen van [appellante sub 2] gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat enkele van de aangevoerde beroepsgronden niet door [appellante sub 2] als zienswijze over de ontwerpen van de besluiten naar voren zijn gebracht.

2.4.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Dit artikel moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003/2004, 29421, nr. 3, blz. 7 en Kamerstukken II, 2004/2005, 29421, nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten over dat onderdeel geen zienswijze naar voren te hebben gebracht.

2.4.2. De bestreden besluiten houden onder meer beslissingen in krachtens artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming over de aanwezigheid van een geval van ernstige verontreiniging, krachtens artikel 37, eerste lid, over de vraag of spoedige sanering noodzakelijk is, krachtens artikel 37, derde lid, over te treffen tijdelijke beveiligingsmaatregelen, krachtens artikel 39, tweede lid, over instemming met het ingediende saneringsplan en krachtens artikel 39f, eerste lid, over de vraag of financiële zekerheid gesteld dient te worden. Deze beslissingen kunnen als onderdelen in vorenbedoelde zin van de besluiten worden beschouwd.

[appellante sub 2] heeft met betrekking tot voornoemde beslissingen een zienswijze naar voren gebracht. Haar beroepsgronden hebben eveneens betrekking op deze beslissingen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om haar beroepen op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Deze bepaling staat er, anders dan het college, de minister en ProRail kennelijk menen, niet aan in de weg dat tegen een in de zienswijzenfase aan de orde gesteld besluitonderdeel in beroep nieuwe gronden worden aangevoerd.

Bespreking gronden [appellante sub 2]

2.5. [appellante sub 2] voert aan dat de terinzagelegging van de bestreden besluiten gebrekkig is geweest, aangezien bij die terinzagelegging een brief van de Projectorganisatie Betuweroute, waarin wordt gereageerd op de over de ontwerpbesluiten ingebrachte zienswijzen, ontbrak. [appellante sub 2] voert verder aan dat zij, voordat de bestreden besluiten werden genomen, in de gelegenheid had moeten worden gesteld om op deze brief te reageren.

2.5.1. Het niet met de bestreden besluiten ter inzage leggen van de betrokken brief betreft een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van die besluiten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 15 februari 2006 in zaak nr. 200505067/1, kan een dergelijke onregelmatigheid geen grond voor vernietiging van een besluit zijn, aangezien niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid aan het besluit kan komen te ontvallen. Vast staat verder dat [appellante sub 2], na toezending van de brief door het college, kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, zodat zij in zoverre niet in haar belangen is geschaad. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat de bestreden besluiten zijn voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is de mogelijkheid geboden om schriftelijke of mondelinge zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen. De procedure van afdeling 3.4 kent geen verplichting voor het bevoegd gezag om degenen die zienswijzen tegen het ontwerpbesluit hebben ingebracht, voorafgaande aan het nemen van het definitieve besluit op andere wijze te horen. Niet valt in te zien dat het college en de minister in dit geval desondanks gehouden waren om [appellante sub 2], voordat de bestreden besluiten werden genomen, in de gelegenheid te stellen om te reageren op de betrokken brief van de Projectorganisatie Betuweroute. De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

2.6. [appellante sub 2] voert aan dat bij de besluitvorming ten onrechte gebruik is gemaakt van oude, gedateerde bodemgegevens.

In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat bedoelde gegevens nog steeds bruikbaar zijn in het kader van de onderhavige besluitvorming. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de minister deze gegevens niet hebben kunnen betrekken bij hun besluitvorming. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellante sub 2] voert aan dat aan de besluitvorming een onjuiste gevalsdefinitie ten grondslag ligt. Volgens haar vormen de verontreinigingen op de deellocaties A, B, C en G en de verontreinigingen op de overige deellocaties van de locatie Scherpekamp, anders dan het college en de minister menen, één geval van verontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. In dit verband voert zij aan dat alle op de verschillende deellocaties aanwezige pyrietslakken afkomstig zijn van hetzelfde bedrijf in Duitsland en door dezelfde vervoerder naar de locatie Scherpekamp zijn vervoerd en daar gestort. Verder is het volgens [appellante sub 2] mogelijk dat de van de deellocaties C en D afkomstige grondwaterverontreinigingen zich hebben vermengd als gevolg van een lekkende onderafdichting op laatstgenoemde deellocatie. [appellante sub 2] wijst er daarnaast op dat de verschillende deellocaties intussen grotendeels tot haar beschikking zijn gekomen, althans tot de beschikking van haar dochteronderneming B.V. Steenfabriek [appellante sub 2].

2.7.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet bodembescherming wordt onder een geval van verontreiniging verstaan: een geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat slechts sprake is van één geval van verontreiniging indien aan elk van de drie in artikel 1 van de Wet bodembescherming genoemde samenhangen is voldaan. Het geschil spitst zich in dit geval toe op de vraag of sprake is van organisatorische samenhang tussen de verontreinigingen op de deellocaties A, B, C en G en de verontreinigingen op de deellocaties D, E en F van de locatie Scherpekamp.

Van organisatorische samenhang in de zin van artikel 1 van de Wet bodembescherming is sprake als de oorzaak van de verontreiniging niet kan worden gescheiden in verschillende organisatorische eenheden. Gebleken is dat de deellocaties A, B, C en G enerzijds en de deellocaties D, E en F anderzijds in eigendom waren van twee verschillende, niet met elkaar verbonden steenfabrieken toen de pyrietslakken werden gestort. Gelet hierop kunnen de verontreinigingen op de deellocaties A, B, C en G en de verontreinigingen op de deellocaties D, E en F naar hun oorzaak worden gescheiden in verschillende organisatorische eenheden. Dat de pyrietslakken afkomstig waren van hetzelfde Duitse bedrijf en zijn geleverd door dezelfde vervoerder is in dit verband niet relevant.

Het voorgaande brengt mee dat geen sprake is van organisatorische samenhang tussen de verontreinigingen op de deellocaties A, B, C en G en de verontreinigingen op de overige deellocaties. Dat de verschillende deellocaties intussen grotendeels tot de beschikking zijn gekomen van [appellante sub 2], althans van haar dochteronderneming B.V. Steenfabriek [appellante sub 2], leidt niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellante sub 2] dat de van de deellocaties C en D afkomstige grondwaterverontreinigingen zich mogelijk hebben vermengd. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. [appellante sub 2] klaagt dat de gekozen saneringsvariant het gebruik dat in de toekomst van het gebied kan worden gemaakt, belemmert. Volgens haar dient het gebied in verband met de door haar gewenste gebruiksmogelijkheden schoon te worden opgeleverd. Verder leidt de omstandigheid dat deellocatie C na de sanering hoger zal komen te liggen dan het omliggende gebied er toe dat deze deellocatie niet meer als bedrijfsterrein kan worden benut, aldus [appellante sub 2]. Ook is volgens haar onvoldoende rekening gehouden met mogelijke problemen als gevolg van het afstromen van hemelwater van deze deellocatie naar het bestaande fabrieksterrein.

2.8.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij zoveel mogelijk moeten worden beperkt het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging, het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen en de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d.

2.8.2. Het college en de minister stellen zich op het standpunt dat het te saneren gebied met de thans gekozen saneringsvariant geschikt wordt gemaakt voor de huidige functie en de functie na saneren, te weten industrie/opslag. Volgens hen is niet gebleken dat het gebied in de toekomst een andere functie zal krijgen.

2.8.3. Niet is gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit concrete plannen van [appellante sub 2] of derden bestonden voor een ander gebruik van het te saneren gebied dan het bestaande gebruik. Met op dat moment nog onzekere toekomstige ontwikkelingen behoefden het college en de minister bij de beoordeling of de voorgestelde sanering voldoet aan de bij of krachtens artikel 38 van de Wet bodembescherming gestelde regels geen rekening te houden. Dit geldt ook voor de door [appellante sub 2] gestelde afwateringsproblemen. De afwateringsproblemen betreffen in dit geval geen aspect waarop de bij of krachtens artikel 38 gestelde regels betrekking hebben. Overigens is in het deskundigenbericht opgemerkt dat de afwateringsproblemen oplosbaar zijn. De Afdeling acht het verder, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk dat deellocatie C als gevolg van de verhoging niet langer geschikt zal zijn voor de functie na saneren, te weten de opslag van bakstenen. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. [appellante sub 2] voert aan dat het college en de minister bij hun besluitvorming onvoldoende rekening hebben gehouden met mogelijk verhoogde (grond)waterstanden als gevolg van de plannen voor het uiterwaardengebied in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier. Mede hierdoor staat volgens [appellante sub 2] onvoldoende vast dat zich na de sanering geen verspreiding van de verontreiniging zal kunnen voordoen als gevolg van contact tussen de verontreinigingen en het grondwater ter plaatse van de deellocaties A, B, C en G.

2.9.1. De Afdeling overweegt dat bedoelde plannen in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier ten tijde van het bestreden besluit nog niet zodanig concreet waren dat het college en de minister met eventuele gevolgen daarvan voor de (grond)waterstanden in het gebied bij hun besluitvorming rekening behoefden te houden. De Afdeling ziet, mede gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de minister er bij hun besluitvorming niet van konden uitgegaan dat de verontreinigingen op de deellocaties A, B en G niet in contact zullen staan met het grondwater. De verontreiniging op deellocatie C wordt, teneinde contact tussen de verontreiniging en het grondwater te voorkomen, opgehoogd tot 0,5 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand en voorts voorzien van een onderafdichting. Mede gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling aannemelijk dat daarmee voldoende is gewaarborgd dat verspreiding van de verontreiniging als gevolg van contact met het grondwater zich niet zal voordoen. Deze beroepsgrond faalt.

2.10. [appellante sub 2] stelt dat de omvang van de verontreinigingen onvoldoende is vastgesteld. De gekozen saneringswijze, waarbij eerst enkele jaren nader onderzoek plaatsvindt naar de omvang en verspreiding van de verontreinigingen, om vervolgens definitief te beslissen welke saneringsvariant zal worden gekozen, verdraagt zich volgens [appellante sub 2] niet met de Wet bodembescherming.

2.10.1. Het college en de minister hebben hun besluitvorming gebaseerd op het in het rapport "Eindrapport project doorstart A-5" neergelegde beleidskader. Hierbij wordt voor de aanpak van de betrokken verontreinigingen gekozen voor de zogenoemde trede 3 aanpak waarbij het saneringsplan moet leiden tot een stabiele eindsituatie met een grote restverontreiniging, waarbij geen humane of ecologische risico's bestaan, geen verdere verspreiding van de verontreiniging optreedt, geen kwetsbare objecten worden bedreigd en geen verstoring van de stabiele eindsituatie optreedt. In dit geval is gekozen voor een gefaseerde sanering, waarbij eerst gedurende enkele jaren nader onderzoek plaatsvindt naar de verontreinigingen en de verspreiding daarvan. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of het vermoeden dat een stabiele eindsituatie kan worden bereikt juist is. Verder is de voorgeschreven monitoring als tijdelijke beveiligingsmaatregel bedoeld. Uit de bestreden besluiten volgt dat uiterlijk vier jaar na het nemen daarvan op de verschillende deellocaties de grondsanering wordt uitgevoerd. Omdat wordt vermoed dat een stabiele eindsituatie ten aanzien van de verontreinigingen op de deellocaties A, B en G mogelijk is zonder aanvullende maatregelen, is ten aanzien van deze deellocaties in deze fase enkel voorzien in het aanbrengen van een bovenafdichting/leeflaag. Omdat dit vermoeden ten aanzien van deellocatie C niet bestaat, is voor die deellocatie voorzien in het verhogen van de verontreinigde bodem en het aanbrengen van een boven- en onderafdichting, met zo nodig een gedeeltelijke verplaatsing van de verontreinigde grond naar deellocatie A. In laatstbedoeld geval wordt ter plaatse van deellocatie A bovenop het maaiveld een onderafdichting aangebracht. Na het treffen van de saneringsmaatregelen is voorzien in een fase van 10 jaar monitoring teneinde de stabiele eindsituatie vast te stellen.

2.10.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben het college en de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat voldoende inzicht bestond in de omvang van de verontreinigingen en de verspreidingsrisico's om een beslissing te kunnen nemen over de vraag of sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, of sanering spoedeisend is en of kan worden ingestemd met het ingediende saneringsplan. Dat voorafgaand aan de daadwerkelijke grondsanering gedurende enkele jaren monitoring plaatsvindt ter bevestiging van het vermoeden dat een stabiele eindsituatie kan worden bereikt maakt niet dat de saneringswijze zich niet verdraagt met de Wet bodembescherming. Het college en de minister hebben zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het risico van onaanvaardbare verspreiding van de verontreinigingen gedurende deze periode, gelet op het daarvoor in het saneringsplan opgenomen faalscenario, in voldoende mate beperkt is. De Afdeling is voorts van oordeel dat het college en de minister er in redelijkheid van hebben kunnen uitgaan dat de fase van monitoring na het treffen van de saneringsmaatregelen van 10 jaar voldoende is om het bestaan van een stabiele eindsituatie vast te kunnen stellen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de minister niet in redelijkheid hebben kunnen instemmen met het ingediende saneringsplan. Deze beroepsgrond faalt.

2.11. [appellante sub 2] stelt dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat financiële zekerheid wordt gesteld voor de in het kader van de sanering te treffen maatregelen.

2.11.1. Uit artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming en artikel 39, eerste lid, van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat het stellen van financiële zekerheid kan worden voorgeschreven, indien de saneringskosten van het te saneren geval, dan wel de kosten van nazorg na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van ten minste vijf jaar zullen worden gerealiseerd. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het college en de minister dat deze situatie zich hier niet voordoet. Gelet hierop hebben het college en de minister terecht afgezien van het laten stellen van financiële zekerheid. Deze beroepsgrond faalt.

2.12. Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen van [appellante sub 2] ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

2.13. Voor een proceskostenveroordeling ten laste van het college en de minister bestaat geen aanleiding. Voor een proceskostenveroordeling ten laste van [appellant sub 1], zoals verzocht door ProRail, bestaat evenmin aanleiding. De Afdeling volgt ProRail niet in haar betoog dat [appellant sub 1], omdat op voorhand duidelijk was dat hij niet als belanghebbende bij de bestreden besluiten zou worden aangemerkt, door beroep tegen die besluiten in te stellen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht heeft gemaakt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

462.