Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200706940/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het dakterras terug te brengen tot de oorspronkelijke situatie conform de gewaarmerkte tekening behorende bij de bouwaanvraag BA 2004-0218 inzake de verbouwing van het bedrijfspand en de bovenwoning op het perceel [locatie] te Den Helder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706940/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. AWB 07/1674 en 07/1675 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 17 augustus 2007

in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het dakterras terug te brengen tot de oorspronkelijke situatie conform de gewaarmerkte tekening behorende bij de bouwaanvraag BA 2004-0218 inzake de verbouwing van het bedrijfspand en de bovenwoning op het perceel [locatie] te Den Helder.

Bij besluit van 13 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door M.A.M. Rodenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.2. [appellant] betwist niet dat op het perceel een uit houten vloerdelen bestaand dakterras, dat wordt afgeschermd met een ijzeren hekwerk waartegen houten planken zijn aangebracht, is gerealiseerd en dat hiervoor een bouwvergunning is vereist.

2.3. Vaststaat dat [appellant] niet beschikt over een bouwvergunning voor het dakterras, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. De voorzieningenrechter is tot het juiste oordeel gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisatie van het dakterras bestaat, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan "Grachtengordel 1998" en de stedenbouwkundige visie van de gemeenteraad op het gebied gelegen binnen het beschermde stadsgezicht langs de grachtengordel, zoals die onder meer is neergelegd in het Paraplu-plan "Beschermd Stadsgezicht (Grachtengordel) 2004" en het college, ook ter voorkoming van precedentwerking, niet bereid is vrijstelling te verlenen, terwijl voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding hadden behoren te zijn om van handhaving af te zien.

Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden faalt. Het college heeft terecht geconcludeerd dat de dakterrassen op nabijgelegen panden niet vergelijkbaar zijn met het dakterras dat [appellant] heeft aangebracht. De verwijzing van [appellant] naar de bouwactiviteiten op het perceel Binnenhaven 50 en Binnenhaven 58, kan evenmin gewicht in de schaal leggen, omdat het college hiervoor bouwvergunning heeft verleend en het in die gevallen geen dakterras betrof.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

202.