Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3591

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200706896/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de detailhandelsactiviteiten in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/4965
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706896/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. SBR 07/1745 en 07/1218 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 21 augustus 2007

in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de detailhandelsactiviteiten in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te staken.

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2008, een nadere memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2008,

waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.E. Jalandoni, advocaat

te Utrecht en F. Allali, en het college, vertegenwoordigd door H. Koekoek

en R.A. Hanoeman, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ten tijde van het besluit van 13 oktober 2005 was op het onderhavige perceel het bestemmingsplan "Jutphaas-Wijkersloot uit 1987" (hierna: het bestemmingsplan 1987) van toepassing.

Ingevolge het bestemmingsplan 1987 geldt voor het perceel de bestemming "Industriële bedrijven, met bijbehorende erven".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan 1987 zijn deze gronden bestemd voor industriële bedrijven, vallend onder categorie 1,2 en 3 van de staat van inrichtingen, groothandelsbedrijven, kantoren en dienstverlenende bedrijven.

Ingevolge artikel 12, zevende lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is het college bevoegd vrijstelling te verlenen voor het oprichten van één bouwmarkt met een bebouwd oppervlak van maximaal 2.000 m2 en een winkelbedrijf van maximaal 800 m2 ter plaatse van de op de kaart aangegeven aanduiding 'detailhandelsvestiging'.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de voorschriften is het verboden de in het plan begrepen bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en).

Ingevolge artikel 23, tweede lid, wordt onder verboden gebruik in ieder geval begrepen het uitoefenen van detailhandelsactiviteiten, voor zover in deze voorschriften niet anders is bepaald.

2.2. De gemeenteraad van Nieuwegein heeft op 28 september 2006 het bestemmingsplan "Jutphaas-Wijkersloot 2006" (hierna: het bestemmingsplan 2006) vastgesteld. Dit plan is door gedeputeerde staten van Utrecht bij besluit van 8 mei 2007 gedeeltelijk goedgekeurd. Tegen dat besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Dat beroep heeft de Afdeling bij uitspraak van 19 maart 2008, in zaak nr. 200704195/1,  ongegrond verklaard, zodat het bestemmingsplan 2006 inmiddels onherroepelijk vaststaat.

Ingevolge het bestemmingsplan 2006 rust op het perceel [locatie] geen detailhandelsbestemming.

Ingevolge artikel 10.4.3 van de voorschriften van dit plan is binnenplanse vrijstelling voor detailhandel op het perceel mogelijk voor detailhandelsbedrijven uitsluitend in de branches woninginrichting, tuincentra, bouwmarkten, keukens en sanitair.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat hij niet heeft gehandeld in strijd met het bestemmingsplan 1987.

2.4. Op 12 april 2005 heeft het college geconstateerd dat vanuit het op het perceel aanwezige pand, waarvan [appellant] huurder is, vanaf 15 februari 2005 de verkoop plaatsvond van groente, vlees, fruit en Middellandse-zeeproducten aan particulieren, hetgeen detailhandel is.

2.5. De conclusie moet dan ook zijn dat is gehandeld in strijd artikel 23, eerste lid, van het bestemmingsplan 1987, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.1. Anders dan [appellant] betoogt is de voorzieningenrechter tot het juiste oordeel gekomen dat bij het opstellen van het bestemmingsplan 2006 de vraag of het detailhandelsbedrijf van [appellant] destijds ten onrechte niet bij de inventarisatie van de gevestigde (detailhandels)bedrijven is betrokken en de vraag of het pand daardoor in het bestemmingsplan 2006 ten onrechte geen detailhandelsbestemming heeft gekregen, niet in de onderhavige procedure, maar uitsluitend in de beroepsprocedure van [appellant] bij de Afdeling aan de orde kon komen.

2.5.2. In de onderhavige procedure dient te worden beoordeeld of er concreet uitzicht op legalisatie bestaat van de detailhandelsactiviteiten in het pand [locatie].

Nu het perceel van [appellant] in het bestemmingsplan 2006 geen detailhandelsbestemming heeft gekregen en de voorschriften van dit plan ook geen mogelijkheid tot vrijstelling bieden voor de branche waarin [appellant] actief is, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat geen sprake is van concreet uitzicht op legalisatie van de onderhavige detailhandelsactiviteiten.

2.5.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat er toch uitzicht bestaat op legalisatie, nu het detailhandelsbedrijf Nettorama het bedrijfsverzamelgebouw, waarin het samen met onder meer het bedrijf van [appellant] is gevestigd, in eigendom heeft verworven om de detailhandelsactiviteiten in het gebouw te kunnen uitbreiden.

Dat betoog faalt, omdat het bestemmingsplan 2006 in het gedeelte van het bedrijfsverzamelgebouw waar het bedrijf van [appellant] is gevestigd immers geen detailhandelsactiviteiten toelaat.

2.5.4. Voorts kan het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Hij heeft in dit verband verwezen naar de nabij gelegen sportartikelenwinkel Summit Sport, kapper Beautiful Bronze en de islamitische slagerij Gülumse B.V. De activiteiten van Summit Sport en Beautiful Bronze zijn niet in strijd met het bestemmingsplan 2006, terwijl het college tegen de detailhandelsactiviteiten van de slagerij, die ter plaatse niet zijn toegestaan, handhavend is opgetreden.

2.5.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de gevolgen van het handhavend optreden niet in verhouding staan tot de daarmee te dienen belangen. De voorzieningenrechter heeft in dit verband terecht in aanmerking genomen dat het [appellant] van meet af aan duidelijk moet zijn geweest dat een detailhandelsbedrijf op het perceel niet zou worden toegestaan, nu het college bij brief van 23 januari 2004 [appellant] heeft bericht dat op Hildo Kropstraat 11 wèl een groothandel, maar geen detailhandel mag worden uitgeoefend en uit het in juni 2005 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan 2006 blijkt dat noch Hildo Kropstraat 11, noch [locatie] een detailhandelsbestemming heeft gekregen. Niet is gebleken van enig signaal van de zijde van het college waaruit zou kunnen worden afgeleid dat detailhandel ter plaatse toegestaan zou zijn. Zowel het voorafgaande als het vigerende bestemmingsplan staat detailhandel ter plaatse niet toe. [appellant] heeft dan ook door op het perceel een detailhandel in groente, vlees, fruit en Middellandse-zeeproducten te beginnen het risico genomen dat daartegen handhavend zou worden opgetreden.

2.6. De slotsom moet zijn dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet tot handhavend optreden mocht besluiten. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

202.