Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200706816/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het, boven op de bestaande erfafscheiding, plaatsen van een privacyscherm op het adres [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706816/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 07/247 van de rechtbank Maastricht

van 22 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het, boven op de bestaande erfafscheiding, plaatsen van een privacyscherm op het adres [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college het door [appellant], daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.J.G. Palmen, gemachtigde, het college, vertegenwoordigd door mr. M. Muris, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit het bouwplan blijkt dat het te bouwen privacyscherm één meter hoog is en twee en een halve meter breed. Dit scherm zal conform het bouwplan geplaatst worden op de thans bestaande muur, die de erfafscheiding vormt tussen de percelen van [vergunninghouder] en [appellant]. Deze muur is in verband met de onderkeldering van het woonhuis van [vergunninghouder], gemeten vanaf het aansluitend terrein, de tuin van [vergunninghouder], 3,85 meter hoog en gemeten vanaf het peil van (de voordeur van) diens woning 0,85 meter hoog. De hoogte van de muur en het privacyscherm samen bedraagt derhalve, gemeten vanaf het peil van de tuin van [vergunninghouder] 4,85 meter en gemeten vanaf het peil van de woning 1,85 meter.

2.2. Niet in geschil is dat het privacyscherm moet worden aangemerkt als een vergunningplichtig bouwwerk.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het vigerende bestemmingsplan "Dormigveld 1975" geen specifieke voorschriften bevat voor erf- of perceelafscheidingen en dat het college derhalve, op de voet van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Woningwet de terzake in de door de gemeenteraad van Landgraaf vastgestelde bouwverordening 2004 opgenomen voorschriften had moeten toepassen. Volgens [appellant] had, gelet op de hoogte van de totale erfafscheiding in dat geval alleen met ontheffing van de voorschriften van de bouwverordening 2004 en aldus niet zonder afweging van diens belangen tot vergunningverlening mogen worden overgegaan.

2.3.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel waarop het bouwplan ziet de bestemming "erf".

Ingevolge artikel 1, derde lid, van de planvoorschriften is een ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de bestemmingskaart als erf aangeduide gronden bestemd voor tuin,

Ingevolge artikel 26, tweede lid, mogen op deze gronden, behoudens het bepaalde in artikel 27, leden 3 en 4, uitsluitend andere bouwwerken, welke wat qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, worden opgericht.

2.3.2. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat erf- en perceelafscheidingen, gelet op artikel 1, derde lid, van de planvoorschriften als "andere bouwwerken" zijn aan te merken en dat artikel 26, tweede lid, van de planvoorschriften weliswaar weinig concrete maar op zichzelf niet ongebruikelijke voorschriften bevat over het oprichten van een "ander bouwwerk" en aldus ook voor het oprichten van erf- en perceelafscheidingen. Nu het bestemmingsplan voorschriften over erf- en perceelafscheidingen bevat, dienen de in de bouwverordening 2004 van de gemeente Landgraaf genoemde voorschriften voor erf- en perceelafscheidingen op grond van artikel 9, tweede lid, van de Woningwet derhalve buiten toepassing te blijven.

2.3.3. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan geen voorschriften bevat over de situering van het vergunde bouwwerk, zodat gezien de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2002, in zaak nr. 200105324/1, aan de voorschriften van de bouwverordening 2004 toch aanvullende werking toekomt.

2.3.4. Dat betoog slaagt niet. Immers, anders dan in evengenoemde uitspraak, is de situering van het privacyscherm hier niet in het geding. Vaststaat dat het privacyscherm is gesitueerd op de bestemming "erf", gelegen achter de woning. Nu artikel 26, tweede lid, van het bestemmingsplan voorschriften bevat voor het oprichten van erf- en perceelsafscheidingen en de oprichting van het scherm bouwvergunningplichtig is, komt, zoals hiervoor is overwogen, aan de in de bouwverordening 2004 opgenomen voorschriften voor de oprichting van erf- en perceelafscheidingen geen aanvullende werking toe. Het college heeft het privacyscherm dan ook terecht aan de criteria van artikel 26,

tweede lid, van de planvoorschriften en niet aan de voorschriften van de bouwverordening 2004 getoetst.

2.3.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het privacyscherm qua aard en afmetingen binnen de bestemming erf past en dat de daaraan ten grondslag gelegde beoordeling, die ingevolge artikel 26, tweede lid, van de planvoorschriften dient plaats te vinden, niet kenbaar is, zodat sprake is van schending van het motiveringbeginsel.

In het advies van de Commissie bezwaarschriften van 11 januari 2007, dat deel uitmaakt van de beslissing op bezwaar van 23 januari 2007, is uitvoerig gemotiveerd dat het privacyscherm qua aard en afmetingen als passend bij de bestemming erf dient te worden geacht. Daarbij is in aanmerking genomen dat sprake is van een fors niveauverschil tussen het niveau van de tuin van [vergunninghouder] en dat van de woning van [appellant], als gevolg van de onderkeldering van de woning van [vergunninghouder].

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het stempeladvies van de welstandscommissie niet zonder nadere motivering aan het besluit van 23 januari 2007 ten grondslag heeft mogen leggen, nu het college na de in het kader van de behandeling van het bezwaar verkregen foto's van het perceel en de afmetingen van het privacyscherm niet aan de welstandcommissie ter beoordeling heeft voorgelegd.

Dat betoog faalt. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat de omstandigheid dat de welstandscommissie geen kennis heeft genomen van de informatie die in het kader van de bezwaarschriftenprocedure is vergaard, niet de conclusie rechtvaardigt dat het welstandadvies op een onjuiste of gebrekkige wijze tot stand is gekomen. De welstandscommissie heeft haar oordeel gebaseerd op, onder meer, een foto en een tekening van de locatie waar het privacyscherm zou worden gerealiseerd. Op basis van deze foto heeft de welstandscommissie de omvang van het bouwwerk kunnen vaststellen en kunnen bepalen of dit in de omgeving past. Derhalve is niet gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college het niet zonder meer aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag had mogen leggen. Voorts heeft [appellant] geen tegenrapport van een andere deskundig te achten persoon of instantie overgelegd waaruit blijkt dat het welstandsadvies niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

202.