Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200705810/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 juli 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/437
JOM 2009/438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705810/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Best,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 juli 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2008, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door G.M. van den Boom, werkzaam bij het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, en A.G.M. Middendorp, werkzaam bij K&M akoestisch adviseurs, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door A.J.C. van de Heijning, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een vergunning verleend voor het houden van 6 pony's ouder dan 3 jaar, 1.044 vleeskalveren van 0 tot 8 maanden (witvlees), 3 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 5 zoogkoeien ouder dan 2 jaar en 36 schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kilogram.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. [appellante] betoogt dat de toename van de ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen kwetsbare gebied significant is en dat het college dit ten onrechte niet heeft onderzocht. Ter zitting is gebleken dat [appellante] dit heeft aangevoerd in verband met haar betoog dat, hoewel in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij geen maximale emissiegrenswaarde is opgenomen, schadelijke emissies zo veel mogelijk moeten worden beperkt op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Hetzelfde geldt volgens [appellante] voor de geuremissie. [appellante] betoogt dat het college daarom had moeten onderzoeken of de in de aanvraag opgenomen voorzieningen zijn aan te merken als beste beschikbare technieken. Hiertoe wijst zij op de mogelijkheid een chemische luchtwasser voor te schrijven en betoogt zij dat dit systeem, hoewel vooralsnog voornamelijk in andere sectoren toegepast, ook in dit geval de beste beschikbare techniek is.

2.3.1. Het college heeft, anders dan [appellante] betoogt, met toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer beoordeeld of met het aangevraagde stalsysteem de beste beschikbare technieken worden toegepast. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juli 2007 in zaak nr. 200607225/1) is het traditionele stalsysteem een algemeen gebruikte en geaccepteerde techniek voor het houden van vleeskalveren en betekent de enkele omstandigheid dat toepassing van een chemische luchtwasser mogelijk is, niet dat het traditionele stalsysteem niet tot de beste beschikbare technieken kan worden gerekend.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellante] betoogt dat, voor zover in het bestreden besluit is geoordeeld dat de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting niet aan verlening van de vergunning in de weg staat, het college aan dit besluit niet het akoestisch rapport van adviesbureau de Haan B.V. van 12 januari 2007, aangevuld bij brief van 15 februari 2007, ten grondslag had mogen leggen. Hiertoe voert zij aan dat dit rapport dezelfde invoergegevens bevat als een in een eerdere procedure ingebracht rapport van 8 november 2005, terwijl het thans aangevraagde veebestand aanmerkelijk verschilt van het eerder vergunde veebestand. Het rapport van 12 januari 2007 is daarom volgens [appellante] niet actueel. Verder voert zij aan dat, zo begrijpt de Afdeling het beroep, de aan- en afvoerfrequentie van kalveren hoger zou kunnen zijn dan waarvan is uitgegaan en ten onrechte geen rekening is gehouden met de geluidbelasting als gevolg van de - volgens [appellante] - vereiste afvoer van maïs. Voorts is volgens [appellante] van belang dat het eerdere akoestisch rapport van 2005 bij de indirecte hinder tijdens de maatgevende incidentele bedrijfssituaties een hogere geluidbelasting vermeldt dan het akoestisch rapport van 12 januari 2007, zonder dat daarvoor een uitleg wordt gegeven.

2.4.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport van 12 januari 2007 is uitgegaan van de thans voorkomende immissierelevante bedrijfsactiviteiten, waaronder het vijf keer per jaar af- en aanvoeren van kalveren en jongvee gedurende de dagperiode en maximaal vijf keer per jaar afvoeren van kalveren en jongvee in de nachtperiode. Met de afvoer van maïs is geen rekening gehouden nu dit niet is aangevraagd. Hetgeen [appellante] betoogt, geeft geen grond voor het oordeel dat het akoestisch rapport van 12 januari 2007 niet actueel dan wel onjuist is. Voor zover zij vreest dat meer af- en aanvoer van kalveren en afvoer van maïs zal plaatsvinden betreft het een kwestie van handhaving van de vergunning nu, zo volgt uit het dictum van het bestreden besluit, het akoestisch rapport van 12 januari 2007 deel uitmaakt van de verleende vergunning. Het beroep heeft in zoverre geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

De beroepsgronden falen.

2.5. [appellante] betoogt dat het college de vergunning had moeten weigeren omdat door het wijzigen van de situering van gebouwen en rijroutes de exploitatie van de inrichting op minder belastende wijze kan plaatsvinden.

2.5.1. Het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie voor de activiteiten vergunning kan worden verleend. Het staat het college niet vrij van de aanvraag af te wijken. Het college kan dan ook geen onderzoek verrichten naar het anders inrichten van de inrichting.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

373-491.