Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200703012/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2007, kenmerk 2007-12127, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de stadsdeelraad van het stadsdeel Oud Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: de stadsdeelraad) bij besluit van 12 juli 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Pijp 2005".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703012/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Belangenbehartiging Bewoners en Ondernemers Oud-Zuid, gevestigd te Amsterdam, en anderen,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2007, kenmerk 2007-12127, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de stadsdeelraad van het stadsdeel Oud Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: de stadsdeelraad) bij besluit van 12 juli 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Pijp 2005".

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Belangenbehartiging Bewoners en Ondernemers Oud-Zuid (hierna: de Stichting Belangenbehartiging) en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2007, [appellante sub 2] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2007, en [appellant sub 3] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2007, beroep ingesteld. De Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2007.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stadsdeelraad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). De Stichting Belangenbehartiging en anderen, [appellante sub 2], [appellant sub 3] en de stadsdeelraad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 3] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2008, waar de Stichting Belangenbehartiging en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. S.J. Bolle, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. S.J. Bolle voornoemd, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stadsdeelraad, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en D.S.M. Voost, ambtenaar van de gemeente Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De Stichting Belangenbehartiging heeft haar beroep mede ingediend namens verschillende natuurlijke personen waaronder [4 appellanten]. Dezen hebben geen zienswijze bij de stadsdeelraad naar voren gebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de stadsdeelraad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de stadsdeelraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Afgezien van de bij de planvaststelling aangebrachte wijziging in artikel 17, aanhef en onder d, van de planvoorschriften inzake antennemasten voor mobiele telefonie, doet zich, voor zover van belang voor vorenvermelde natuurlijke personen, geen van de hiervoor bedoelde omstandigheden voor.

Het beroep van de Stichting Belangenbehartiging en anderen, voor zover ingediend door [4 appellanten], is dan ook niet-ontvankelijk behoudens voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van artikel 17, aanhef en onder d, van de planvoorschriften.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de stadsdeelraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de stadsdeelraad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Planbeschrijving

2.3. Het bestemmingsplan ziet op de gehele wijk De Pijp met uitzondering van het tracé voor de Noord-Zuidlijn. Het plan heeft een conserverend karakter voor de bebouwing en is ontwikkelingsgericht voor het gebruik. Het biedt ruimte voor functiemenging, stedelijke vernieuwing, optimalisering van grondgebruik en ontwikkeling als netwerkstad.

Procedurele bezwaren

2.4. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren, mede onder verwijzing naar de brief van de Stichting Belangenbehartiging aan het dagelijks bestuur van het stadsdeel van 17 oktober 2005, verschillende bezwaren aan die zien op de fase vóór de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

2.4.1. Met ingang van 1 juli 2005 is artikel 6a van de WRO vervallen. Ingevolge de WRO, zoals deze thans luidt, vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. De mogelijkheden van inspraak over onder meer het voorontwerp van het bestemmingsplan, voortvloeiend uit een gemeentelijke verordening, als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet, maken geen onderdeel uit van de in de WRO geregelde procedure. Eventuele tekortkomingen in het kader van die inspraakmogelijkheden kunnen dan ook geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten met zich brengen.

2.5. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren voorts aan dat in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte niet is aangegeven dat het terrein van het Gemeentearchief niet tot het plangebied behoort.

2.5.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 3:12, van de Awb, kan bij de kennisgeving, voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerp, worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud. Hieronder kan onder meer worden begrepen de aanduiding van het gebied waarop het plan betrekking heeft.

2.5.2. Anders dan de Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen, volgt uit de plankaart dat het terrein van het Gemeentearchief deel uitmaakt van het plangebied. In afwachting van nieuwe ontwikkelingen is hier, zo volgt uit de plantoelichting, de bestaande situatie vastgelegd. Op dit punt is dan ook niet gebleken van een fout in de publicatie.

2.6. De Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen dat de gekleurde versie van de plankaart, de originele inspraakreacties, de verslagen van de inspraak en het verslag van de inspraak op de notitie Voorbereiding herziening bestemmingsplan De Pijp ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen. Ook zijn de ingebrachte zienswijzen volgens hen ten onrechte niet ter inzage gelegd.

De Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen voorts dat ook bij de terinzagelegging van het vastgestelde plan niet alle op het plan betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen.

2.6.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande dat in artikel 23 van de WRO enkele aanvullende voorschriften worden gegeven. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 26 van de WRO wordt ook het vastgestelde bestemmingsplan voor een ieder ter inzage gelegd. Artikel 23, eerste lid, onder a, van de WRO is van overeenkomstige toepassing.

2.6.2. De bestemmingsplanprocedure wordt gekenmerkt door een getrapt stelsel, waarbij het inbrengen van zienswijzen en bedenkingen in beginsel een vereiste is om beroep te kunnen instellen. Teneinde de betrokkene in staat te stellen om tegen het ontwerpplan en het vastgestelde plan gemotiveerd een zienswijze onderscheidenlijk bedenkingen te kunnen inbrengen, is vereist dat niet alleen het ontwerpplan onderscheidenlijk het vastgestelde plan ter inzage wordt gelegd, doch tevens de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling daarvan.

2.6.3. Anders dan de Stichting Belangenbehartiging en anderen kennelijk veronderstellen, bestaat er geen wettelijke verplichting een gekleurde versie van de plankaart ter inzage te leggen. De inspraakreacties en de verslagen van de inspraak zien op het voorontwerp van het bestemmingsplan. Mede onder verwijzing naar 2.4.1. overweegt de Afdeling dat deze stukken, daargelaten de vraag of deze ter inzage zijn gelegd, niet kunnen worden aangemerkt als stukken die betrekking hebben op het ontwerpplan. Wat betreft de notitie Voorbereiding herziening bestemmingsplan De Pijp, zoals vastgesteld door de stadsdeelraad op 25 september 2003, ziet de Afdeling in hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de stadsdeelraad dat deze notitie met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen. De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen in zoverre hebben aangevoerd, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 23, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is vastgesteld. Voorts is buiten twijfel dat de ter inzage gelegde stukken zijn aangevuld met de binnen de termijn van terinzageligging ingekomen zienswijzen. Het beroep van de Stichting Belangenbehartiging en anderen mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.6.4. Voor zover het betreft de terinzagelegging van de stukken bij het vastgestelde plan houdt de Afdeling het ervoor dat gedoeld wordt op de gemaakte luchtfoto's, stukken over de binnentuinen en het besluit inzake hogere grenswaarden. Aannemelijk is gemaakt dat deze niet met het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat de foto's en stukken zijn vervaardigd ten behoeve van de tuineninventarisatie per 31 maart 2003. Het betreft hier onderliggende stukken voor de Voorbereidingsnotitie Binnentuinen De Pijp van 28 januari 2004 waarvan niet in geschil is dat deze ter inzage heeft gelegen. Voorts is de weerslag van de inventarisatie op de plankaart ingetekend. Hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben aangevoerd, heeft de Afdeling er niet van overtuigd dat de onderliggende stukken redelijkerwijs nodig waren voor de beoordeling van het plan. Wat betreft het besluit inzake hogere grenswaarden volgt uit de stukken dat dit van rechtswege is verleend. In zoverre bestond er geen mogelijkheid dit besluit ter inzage te leggen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 26 van de WRO is geschonden.

2.7. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat zij ten onrechte niet dan wel op onjuiste wijze zijn geïnformeerd over het houden van de commissie- en de deelraadsvergadering en dat zij onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld in te spreken tijdens deze vergaderingen. Daarbij geven zij aan dat de plaatselijke krant met de gemeentelijke aankondigingen stelselmatig slecht wordt bezorgd. Voorts was het geven van een reactie op het voornemen het plan gewijzigd vast te stellen volgens hen niet mogelijk. Verder voeren zij aan dat de deelraadsleden, met uitzondering van de leden die zitting hebben in de commissie Ruimtelijke Ordening en Wonen, de zienswijzen, de Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan De Pijp en het Memo aanpassingen ontwerpbestemmingsplan pas zeer kort voor aanvang van de deelraadsvergadering hebben ontvangen.

2.7.1. Op het stadsdeelbestuur rust in het algemeen niet de verplichting indieners van een zienswijze in kennis te stellen van het houden van commissie- en deelraadsvergaderingen. Zo het stadsdeelbestuur hiertoe wel overgaat, dient dit op zorgvuldige wijze plaats te vinden. In dat verband stelt de Afdeling vast dat in de Stadsdeelkrant van 20 juni 2006 kennis is gegeven van de vergadering van de commissie Ruimtelijke Ordening en Wonen op 27 juni 2006 met onder meer als vergaderpunt het bestemmingsplan "De Pijp". Aangegeven is daarbij dat insprekers zich kunnen aanmelden. Voorts zijn de indieners van een zienswijze van het houden van de deelraadsvergadering op 12 juli 2006 bij brief, verzonden op 28 juni 2006, geïnformeerd. Daarbij is aangegeven dat het mogelijk is de zienswijze toe te lichten. Niet is gebleken dat van de zijde van het stadsdeelbestuur verkeerde informatie is verstrekt.

2.7.2. Wat betreft de gestelde slechte bezorging van de Stadsdeelkrant overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de bezorging in het algemeen zodanige gebreken vertoont dat dit blad niet had mogen worden gebruikt als publicatiemiddel. Daarbij behoort het in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid om op de hoogte te blijven van gemeentelijke aankondigingen. In geval van een onregelmatige bezorging hadden de Stichting Belangenbehartiging en anderen maatregelen kunnen treffen om de beschikking te verkrijgen over voor hen van belang zijnde gemeentelijke publicaties.

2.7.3. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Het hieruit volgende recht brengt mee dat, voor zover dit recht ingevolge de overgangsbepalingen daarvan van toepassing is, met ingang van 1 juli 2005 de in artikel 23 van de WRO opgenomen verplichting om degenen die overeenkomstig dat artikel tijdig een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid te stellen een nadere mondelinge toelichting te geven, is vervallen. Omdat het ontwerp van het bestemmingsplan met ingang van 1 februari 2006 ter inzage is gelegd, bestond er geen wettelijke verplichting deze gelegenheid te bieden. Voorts is niet gebleken dat hiertoe in dit geval om redenen van zorgvuldigheid aanleiding bestond.

2.7.4. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen verder hebben aangevoerd over de voorbereiding en het verloop van de commissie- en deelraadsvergadering, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat gehandeld is in strijd met enige in de WRO of Awb neergelegde bepaling dan wel dat anderszins sprake is geweest van onregelmatigheden. Daarbij overweegt de Afdeling dat het betrokkenen vrij staat tegen een gewijzigde planvaststelling bedenkingen in te brengen indien zij zich niet in de wijzigingen kunnen vinden.

2.8. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren voorts bezwaren aan tegen de wijze waarop zij op 15 januari 2007 inzake hun bedenkingen zijn gehoord.

2.8.1. Wat betreft deze bezwaren overweegt de Afdeling dat de WRO niet meer verplicht tot het horen van indieners van schriftelijke bedenkingen. Dit laat onverlet dat het college hiertoe wel kan overgaan, hetgeen ook is gebeurd. In dat kader is niet gebleken dat de behandeling van de ingebrachte bedenkingen door de Amsterdamse Planologische Commissie op onzorgvuldige of niet-onpartijdige wijze dan wel anderszins in strijd met de daarvoor geldende regels heeft plaatsgevonden.

2.9. De Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen dat de ingebrachte bedenkingen niet zijn meegewogen aangezien het college zich bij het standpunt van het stadsdeelbestuur heeft aangesloten en het stadsdeelbestuur op bijna geen enkele bedenking heeft gereageerd. Zij voeren in dat kader voorts aan dat het college vooringenomen is geweest en dat geen onafhankelijke afweging van belangen heeft plaatsgevonden. Daarbij doen zij een beroep op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

2.9.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Uit het geheel van overwegingen, zoals door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, kan worden afgeleid dat dit het plan zelfstandig heeft beoordeeld. Hieraan doet niet af dat het college verwijst naar en zich aansluit bij de in het bestreden besluit weergegeven reacties van het stadsdeelbestuur en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op de ingebrachte bedenkingen. Niet kan met recht worden gesteld dat de motivering van het bestreden besluit te summier is en dat uit dit besluit niet in voldoende mate blijkt wat het standpunt van het college is ten aanzien van de tegen het plan ingebrachte bedenkingen en om welke redenen het college bij afweging van de betrokken belangen het plan, afgezien van twee verkeerd ingetekende waterkavels aan de Amsteldijk, heeft goedgekeurd. In de algemene stelling van de Stichting Belangenbehartiging en anderen dat het college hun belangen onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college vooringenomenheid te verwijten valt dan wel dat de artikelen 2 en 6 van het EVRM zijn geschonden. Dat de Stichting Belangenbehartiging en anderen zich niet kunnen vinden in de uitkomst van de door het college gemaakte afwegingen, kan daar niet aan afdoen.

Bebouwing op binnenterreinen

2.10. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat het college ten onrechte heeft ingestemd met het als zodanig bestemmen per 31 maart 2003 van alle bebouwing op de binnenterreinen. Hiermee worden naar hun mening te veel bouwwerken gelegaliseerd. Zij willen de situatie per 1996 in het plan vastgelegd zien; volgens hen is toen ook een inventarisatie verricht.

Verder achten de Stichting Belangenbehartiging en anderen de bebouwingsmogelijkheden voor gronden met de bestemming "Tuinen (T)" te ruim. Ten onrechte zijn volgens hen geen voorschriften opgenomen ter voorkoming van het gelijktrekken van achtergevels bij nieuwbouw. Ook achten zij de regeling inzake de achtergevelrooilijn onduidelijk. Bij het voorgaande betrekken zij de mogelijkheid om met een buitenplanse vrijstelling bebouwing op deze gronden te verwezenlijken. Nieuwe bebouwing zou volgens hen op binnenterreinen uitgesloten moeten worden.

2.11. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor "Tuinen (T)", aangewezen voor:

a. tuinen;

b. voetpaden;

c. parkeervoorzieningen, daar waar dat met de nadere aanduiding "parkeervoorzieningen toegestaan" op de plankaart staat aangegeven;

d. de in de artikelen 3 tot en met 6 genoemde doeleinden, voor zover vrijstelling kan worden verleend als bedoeld in het vijfde lid.

Ingevolge het tweede lid mogen op en onder de in het eerste lid genoemde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede bergingen ten behoeve van de daar genoemde bestemming worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid gelden voor de in het eerste en tweede lid genoemde gronden en bouwwerken de volgende maxima:

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde: maximumbouwhoogte twee meter;

b. bergingen: maximumbouwhoogte 2,5 meter, maximumaantal per tuin één en maximumbrutovloeroppervlak negen vierkante meter.

In afwijking van het tweede lid zijn ingevolge het vierde lid gebouwen toegestaan binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken met dien verstande dat:

a. een maximumbouwhoogte en -goothoogte gelden zoals op de plankaart staat aangegeven;

b. het gebruik van aan- en uitbouwen en bijgebouwen uitsluitend ten dienste mag zijn van de hoofdbebouwing waaraan is gebouwd, dan wel ten dienste van de bestemming.

Ingevolge het vijfde lid is het dagelijks bestuur bevoegd vrijstelling te verlenen van het tweede en derde lid met dien verstande dat de op de plankaart aangegeven bestemmingsgrenzen tussen de gronden als bedoeld in het eerste lid en de gronden als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 6 en/of bouwgrenzen als bedoeld in het tweede lid met ten hoogste twee meter worden overschreden voor uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen die op grond van de artikelen 3 tot en met 6 zijn toegestaan.

Artikel 3 ziet op de bestemming "Woondoeleinden (W)", artikel 4 ziet op de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)", artikel 5 ziet op de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" en artikel 6 ziet op de bestemming "Vrijetijdsfuncties (VT)".

2.12. Op grond van de vorige planologische regelingen, in onderlinge samenhang bezien, waren op gronden met een tuinbestemming bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een hoogte van drie meter mogelijk alsmede bergingen tot een maximum van negen vierkante meter per kavel met een maximale hoogte van 2,5 meter en parkeersouterrains zonder oppervlaktebeperking met een maximale hoogte van 1,5 meter. Waar de bestemming gold voor gronden die behoorden bij gebouwen met een maatschappelijke bestemming, mochten de gronden tot een oppervlakte van maximaal 25% worden bebouwd tot een maximale hoogte van 2,5 meter. Voorts mocht onder voorwaarden een erf of tuin bij een bedrijf worden overkapt. Voor sommige binnenterreinen gold de bestemming "Stedelijk Dak (Sd)". Ingevolge die bestemmingsregeling mocht een binnenterrein volledig worden bebouwd, mits op het dak van de bebouwing een daktuin werd aangelegd.

2.13. Op 26 januari 2006 heeft de stadsdeelraad de beleidsvisie Groen en Blauw 2020 vastgesteld. Doelstellingen van het beleid zijn onder meer het toegankelijk en zichtbaar maken van het water, het opstellen van een integraal woonbotenbeleid, een duurzame inrichting en beheer van de openbare groengebieden en het bevorderen en behouden van de tuinen.

Ten aanzien van de tuinen is door de stadsdeelraad op 28 januari 2004 beleid vastgesteld met de Voorbereidingsnotitie Binnentuinen De Pijp. In dit beleid is ervoor gekozen alle bebouwing in de tuinen die er op 31 maart 2003 stond - het moment van afronding van de inventarisatie van de bebouwing in de tuinen - dienovereenkomstig te bestemmen. Er is niet voor gekozen illegale bebouwing niet positief te bestemmen omdat het opsporen van illegale bebouwing en het handhaven daarvan veel extra middelen en personeel zouden kosten. In de gekozen optie wordt verdere bebouwing binnen de tuinen en buiten de op de plankaart aangegeven bouwvakken, niet toegestaan.

2.13.1. In de plantoelichting is vermeld dat groen een schaars goed is in De Pijp. Naast het Sarphatipark, de oevers en kades langs het Amstelkanaal en enkele kleine plantsoenen bevindt het meeste groen zich in de binnentuinen. Deze zijn veelal voor publiek niet toegankelijk en niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Er is onderzocht welke delen van de binnentuinen bebouwd zijn. Hieruit is gebleken dat veel binnentuinen voor een (groot) deel bebouwd zijn.

In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is bezien welke regeling voor de bebouwing in binnentuinen getroffen zou moeten worden. Uit de plantoelichting volgt dat drie opties zijn bezien: alle bebouwing positief bestemmen, alle bebouwing onder het overgangsrecht brengen dan wel alleen legale bebouwing positief bestemmen en illegale bebouwing niet bestemmen of onder het overgangsrecht brengen.

De stadsdeelraad heeft in lijn met het in de Voorbereidingsnotitie Binnentuinen De Pijp neergelegde beleid gekozen voor de eerste optie. De tweede optie zou neerkomen op het handhaven van de vorige bestemmingsregeling. Die regeling is moeilijk toetsbaar, handhaafbaar en draagt bij aan een verslechtering van de kwaliteit van de bouwwerken in de binnentuinen. De derde optie scoort, aldus de plantoelichting, weliswaar het beste op het punt van het zo groen mogelijk houden van de binnentuinen, maar dit lukt alleen met veel extra middelen en personeel.

Met de eerste optie is ervoor gekozen alle bebouwing die aanwezig was tijdens de afronding van de inventarisatie op 31 maart 2003 positief te bestemmen. Dit betekent dat deze bebouwing mag worden vernieuwd, uitbreiding van de bebouwing niet is toegestaan en de hoeveelheid onbebouwd terrein gelijk blijft. De situering en omvang van gebouwen zijn vastgelegd door middel van bouwvlakken op de plankaart. De regeling is, aldus nog steeds de plantoelichting, goed handhaafbaar omdat eenvoudig te constateren zal zijn of een bouwwerk illegaal is gebouwd of niet.

2.13.2. De regeling "Stedelijk Dak (Sd)" hield volgens de plantoelichting in dat bebouwing in de binnentuinen kon worden uitgebreid mits op het dak van de uitbreiding een daktuin zou worden gerealiseerd. Er is veel gebruik gemaakt van deze regeling, maar de daktuin is nauwelijks gerealiseerd. Juridisch is het volgens de plantoelichting niet mogelijk gebleken om een daktuin af te dwingen. Verspreid over De Pijp bevindt zich veel bebouwing in binnentuinen. Om de tuinen niet verder te bebouwen, heeft de stadsdeelraad ervoor gekozen de regeling "Stedelijk Dak (Sd)" af te schaffen. De regeling voor een bij een tuin behorende kleine schuur van negen vierkante meter blijft behouden, aldus de plantoelichting.

2.14. Ter zitting is door de Stichting Belangenbehartiging en anderen aangegeven dat hun beroepsgrond inzake de bouwmogelijkheden niet ziet op de vrijstellingsmogelijkheid in artikel 9, vijfde lid, van de planvoorschriften.

2.14.1. De Afdeling overweegt dat het positief bestemmen van alle aanwezige bebouwing, ongeacht of deze onder het vorige plan kon worden opgericht, onder omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. Uit de stukken en de ter zitting gegeven toelichting is de Afdeling gebleken dat de stadsdeelraad zich het belang van de kwaliteit van de binnenterreinen en -tuinen heeft aangetrokken. Vanwege de beperkte middelen, de beperkte ambtelijke capaciteit en de omstandigheid dat bepaalde bouwwerken reeds lange tijd ter plaatse aanwezig zijn, is de stadsdeelraad evenwel tot de conclusie gekomen dat het opschonen van de binnenterreinen niet reëel is en niet uitvoerbaar is. Onder deze omstandigheden heeft het college in het goedkeuringsbesluit een groter gewicht mogen toekennen aan het positief bestemmen van de zonder bouwvergunning opgerichte bouwwerken dan aan het belang van omwonenden bij meer open binnenterreinen. Het college is daarbij kunnen uitgaan van de meest recente inventarisatie met als peildatum 31 maart 2003. De Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in 1996 een uitvoerige inventarisatie is gedaan. Bij het voorgaande neemt de Afdeling in aanmerking dat de aanwezige bouwwerken met enige afronding gedetailleerd per perceel op de plankaart zijn aangeduid en dat niet is gebleken dat het plan nieuwe bouwmogelijkheden voor de hoofdbebouwing aan de tuinzijde met zich brengt zodanig dat daarmee significante oppervlakten tuin in bebouwing zouden kunnen worden omgezet. Uit hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben aangevoerd, volgt verder niet dat het plan onduidelijk is over de ligging van de achtergevelrooilijn. Daarnaast voorziet het plan ten opzichte van de vorige bestemmingsregeling in meer beperkte bouwmogelijkheden op gronden met de bestemming "Tuinen (T)". De mogelijkheden tot vergunningsvrij bouwen op grond van artikel 43 van de Woningwet en het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) worden, gelet op artikel 20 van de WRO, niet betrokken bij de beoordeling of is voldaan aan de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Ook de mogelijkheden tot bebouwing met een buitenplanse vrijstelling kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Belanghebbenden dienen desgewenst in dat kader op te komen voor hun belangen en kunnen daartoe rechtsmiddelen aanwenden.

Schoolpleinen en -tuinen

2.15. De Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen in beroep dat aan gronden met daarop schoolpleinen en -tuinen ten onrechte niet een tuinbestemming is toegekend, maar is gekozen voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)". Deze bestemmingsregeling leidt er volgens hen toe dat met vrijstelling bebouwing buiten het bouwvlak mogelijk gemaakt zal worden, hetgeen volgens hen in strijd is met de rechtszekerheid.

2.16. In het bestreden besluit is als reactie van de stadsdeelraad op de ingebrachte bedenkingen aangegeven dat het gebruik van schoolpleinen afwijkt van tuinen en dat er om die reden voor is gekozen schoolpleinen te bestemmen als "Maatschappelijke doeleinden (M)". Aangezien schoolpleinen buiten het bebouwingsvlak liggen, mag hier niet worden gebouwd.

2.17. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor "Maatschappelijke doeleinden (M)", aangewezen voor onder meer maatschappelijke voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening alsmede bijbehorende pleinen, openbare ruimte, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid mag op en onder de in het eerste lid genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de daar genoemde bestemming, met dien verstande dat gebouwen slechts zijn toegestaan binnen de aangegeven bouwvlakken.

2.18. In het vorige bestemmingsplan was aan schoolpleinen en andere open ruimtes rond gebouwen met een maatschappelijke functie in het algemeen de bestemming "Tuinen en erven 2 (T2)" toegekend. In het thans voorliggende plan zijn uitsluitend de schoolpleinen in alle gevallen voorzien van de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" zonder bouwvlak.

2.19. De Afdeling komt de keuze voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" met de daarbij behorende voorschriften voor schoolpleinen en -tuinen, gelet op het bestaande gebruik, niet onlogisch voor. Met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" worden geen ruimere bouwmogelijkheden of wordt niet minder bescherming geboden dan met de bestemming "Tuinen (T)". Gebouwen zijn buiten de bouwvlakken niet toegelaten en voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" gelden geen aan- en overbouwregelingen zoals wel het geval is bij de bestemming "Tuinen (T)". De bestemmingsregeling "Maatschappelijke doeleinden (M)" kent verder geen binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid. De mogelijkheden tot het verlenen van een buitenplanse vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO staan los van de bestemmingsplanprocedure en staan derhalve niet ter beoordeling. Niet valt in te zien dat de mogelijkheden daartoe bij een keuze voor de bestemming "Tuinen (T)" meer beperkt zouden zijn. De feitelijke situatie ter plaatse is daarvoor veeleer van belang. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben aangevoerd, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien de bestemmingsregeling "Maatschappelijke doeleinden (M)" voor schoolpleinen en -tuinen te ruim te achten.

Parkeervoorzieningen

2.20. De Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen in beroep dat het college ten onrechte heeft ingestemd met mogelijkheden voor ondergrondse parkeergarages ter plaatse van binnenterreinen en groenvoorzieningen. Voorts komen zij op tegen alle aanduidingen "parkeervoorzieningen toegestaan" op de plankaart. Verder wijzen zij in het bijzonder op een aantal specifieke situaties, zoals de nieuwbouw van woningen met een parkeergarage op de percelen Van Ostadestraat 61 tot en met 79.

2.21. In de plantoelichting is aangegeven dat de stadsdeelraad de bouw van ondergrondse parkeergarages bij nieuwbouw wil stimuleren. Ook staat de stadsdeelraad positief tegenover initiatieven voor parkeergarages onder de openbare ruimte. Op gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" worden in elk geval geen ondergrondse parkeergarages toegestaan, aldus de plantoelichting.

2.21.1. In de reactie op de zienswijzen heeft de stadsdeelraad aangegeven dat er geen voldoende uitgewerkte initiatieven voor de realisatie van ondergrondse parkeervoorzieningen zijn. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is bezien of het mogelijk is een algemeen geldende regeling voor ondergrondse parkeergarages op het nemen. Dit bleek niet mogelijk. De aanleg van ondergrondse parkeergarages vereist maatwerk. Er is daarom in het bestemmingsplan geen algemeen geldende regeling opgenomen. In voorkomende gevallen zal worden gekozen voor toepassing van artikel 19 van de WRO.

2.22. Voor zover het betreft bestaande inpandige parkeermogelijkheden is daartoe voor de bestemmingen "Woondoeleinden (W)", "Gemengde doeleinden (GD)" en "Maatschappelijke doeleinden (M)" op de plankaart voorzien in de aanduiding "parkeervoorzieningen toegestaan". Voor de bestemming "Tuinen (T)" is met deze aanduiding voorzien in onbebouwde parkeervoorzieningen. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met voornoemde aanduiding heeft kunnen instemmen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het om bestaande situaties met bestaande rechten gaat en dat de Stichting Belangenbehartiging en anderen verder niet aannemelijk hebben gemaakt dat de aanduiding ook is toegepast voor het mogelijk maken van nieuwe parkeervoorzieningen. Voor zover het betreft de percelen Van Ostadestraat 61 tot en met 79 is op de plankaart voorzien in de aanduiding "parkeervoorzieningen toegestaan". De hiervoor verleende vrijstelling is onherroepelijk. De vraag of op juiste gronden vrijstelling is verleend voor deze en andere vergunde parkeervoorzieningen kan in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen.

Verder worden, anders dan de Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen, met het bestemmingsplan bij recht noch met vrijstelling ondergrondse parkeervoorzieningen op binnenterreinen of onder groenvoorzieningen mogelijk gemaakt. Het door de stadsdeelraad op dit punt gevoerde beleid is dan ook voor dit bestemmingsplan niet van belang. Tegen de mogelijkheden van ondergronds parkeren via een buitenplanse vrijstellingsprocedure kunnen belanghebbenden in dat kader opkomen en rechtsmiddelen aanwenden.

Groenvoorzieningen

2.23. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat het bestaande groen ten onrechte geen groenbestemming heeft gekregen. Zij pleiten ervoor bomen langs straten en kades te voorzien van de aanduiding "standplaats boom" of een bijzondere regeling in de planvoorschriften op te nemen. De Bomenverordening Amsterdam Oud Zuid 2001 (hierna: bomenverordening) biedt volgens hen onvoldoende bescherming. Ook vrezen zij dat de luchtkwaliteit in het stadsdeel door de mogelijke kap van bomen verder zal verslechteren.

2.24. Het college heeft ingestemd met het standpunt van de stadsdeelraad dat het plan aan het behoud van bomen en groen niet in de weg staat. Voor het behoud van bomen wordt verwezen naar de bomenverordening. Daarbij wijst het college er nog op dat de door de Stichting Belangenbehartiging en anderen bedoelde straten en kades ook in het vorige plan niet bestemd waren voor groenvoorzieningen maar voor openbare ruimte of verkeersdoeleinden en in een enkel geval voor speeltuin.

2.25. Volgens de plantoelichting hebben de groenvoorzieningen een overwegend groene inrichting en zijn deze grotendeels onverhard en onbebouwd. Het is niet wenselijk om deze gebieden te verharden of te bebouwen. De openbare groenvoorzieningen, zoals het Sarphatipark, zijn daarom met een aparte bestemming "Groenvoorzieningen (G)" bestemd, aldus de plantoelichting.

2.26. Ter plaatse van de gronden met de bestemmingen "Verkeersareaal (Va)" en "Openbare ruimte (Vo)" zijn onder meer groenvoorzieningen toegelaten.

2.27. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de bomenverordening stelt het dagelijks bestuur een lijst vast met monumentale houtopstanden. De lijst vermeldt de plaatselijke aanduiding, de tenaamstelling van de eigenaar en een beschrijving van de houtopstand. Tevens worden één of meer foto's en een kaart bijgevoegd met daarop aangeduid de situering van de monumentale houtopstand.

Ingevolge het tweede lid stelt het dagelijks bestuur een adviescommissie in. Deze commissie adviseert over de plaatsing van houtopstanden op de lijst van monumentale houtopstanden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, besluit het dagelijks bestuur, al dan niet op aanvraag van belanghebbenden, omtrent vaststelling of wijziging van de lijst met monumentale houtopstanden.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan het dagelijks bestuur de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van natuur- en milieuwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, waarden van stadsschoon of waarden van recreatie en leefbaarheid.

Ingevolge het tweede lid raadpleegt het dagelijks bestuur bij de beoordeling van een vergunningaanvraag de lijst met monumentale houtopstanden. Voor het vellen van de op deze lijst geregistreerde houtopstanden wordt in beginsel geen vergunning verleend, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de (verkeers)veiligheid, noodtoestand of andere zwaarwegende belangen. Het dagelijks bestuur besluit niet alvorens de commissie zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, over de aanvraag is gehoord.

2.27.1. Het dagelijks bestuur heeft in 2002 het Reglement Adviescommissie monumentale houtopstanden (hierna: het reglement) vastgesteld en de Adviescommissie monumentale houtopstanden (hierna: de commissie) ingesteld.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van het reglement adviseert de commissie het dagelijks bestuur over de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor het vellen van op de lijst van monumentale houtopstanden geplaatste houtopstanden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, komen voor benoeming tot voorzitter of tot lid (of plaatsvervangers) in aanmerking groendeskundigen die niet werkzaam zijn voor het stadsdeel en/of geen middellijk of onmiddellijk eigen belang hebben bij de aan de commissie voorgelegde adviesvragen.

2.27.2. De in artikel 2, eerste lid, van de bomenverordening bedoelde lijst is op 17 juli 2002 vastgesteld. Per 24 mei 2006 waren voor het gehele stadsdeel 683 bomen op deze lijst vermeld.

2.28. Aan de openbare groenvoorzieningen, waaronder het Sarphatipark, is de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" toegekend. Voorts zijn op gronden met de bestemmingen "Verkeersareaal (Va)" en "Openbare ruimte (Vo)" groenvoorzieningen toegelaten. De Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben hun stelling dat ten opzichte van het vorige plan in een minder ruime bescherming van groenvoorzieningen en bomen is voorzien, niet aannemelijk gemaakt. Het thans voorliggende plan staat aan het behoud van bestaande groenvoorzieningen en bomen niet in de weg en brengt evenmin een wijziging van de bestaande bomenstructuur in het plangebied met zich. Reeds gelet hierop bestaat geen aanleiding voor de vrees van de Stichting Belangenbehartiging en anderen dat het plan in dit opzicht negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit zal hebben.

Het college heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit planologisch oogpunt geen noodzaak bestond te voorzien in een verder strekkende beschermingsregeling. In dat verband heeft het college van belang kunnen achten de in de bomenverordening neergelegde waarborgen voor het grote aantal waardevolle bomen in het stadsdeel. In dat kader is voor monumentale houtopstanden voorzien in een lijst met houtopstanden waarvoor in beginsel geen kapvergunning wordt verleend. Voorts hebben belanghebbenden de mogelijkheid te verzoeken om bomen die niet op die lijst staan vermeld alsnog op de lijst te plaatsen.

Bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" voor woonlocaties

2.29. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" ten onrechte is toegekend aan panden waar wordt gewoond. Dit leidt volgens hen tot verpaupering. Verder is volgens hen de woonfunctie ten onrechte wegbestemd op de Stadhouderskade en delen van de Amsteldijk, de Ceintuurbaan en het Sarphatipark. Ter plaatse van de Eerste Jacob van Campenstraat is ten onrechte voorzien in het omzetten van woningen in bedrijven. Voor het pand Van Ostadestraat 115 leidt de toegekende bestemming volgens de Stichting Belangenbehartiging en anderen tot woningonttrekking. Daarbij beroepen zij zich op de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2004, zaak no. 200308711/1.

2.30. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor "Gemengde doeleinden (GD)", aangewezen voor woningen met inbegrip van bijbehorende bergingen en andere nevenruimten met inachtneming van het bepaalde in het elfde lid.

Ingevolge het zesde lid, onder a, zijn in afwijking van het eerste lid, onder a, daar waar dat met de nadere aanduiding "winkellint" op de plankaart staat aangegeven, met inachtneming van het eerste lid, onder d tot en met i, in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder uitsluitend detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke dienstverlening toegestaan.

Ingevolge het zesde lid, onder b, zijn in afwijking van het bepaalde onder a ter plaatse van de gronden met de nadere aanduiding "woningen toegestaan" in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder tevens woningen toegestaan.

Ingevolge het elfde lid is in afwijking van het eerste lid, onder a, daar waar dat met de nadere aanduiding "omzetting naar woonfunctie niet toegestaan" op de plankaart staat aangegeven, de omzetting naar een woning niet toegestaan, zodat ter plaatse uitsluitend woningen zijn toegestaan die reeds bestonden ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.

2.31. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het in het plan neergelegde uitgangspunt dat alle locaties waar een bedrijfsactiviteit op de begane grond plaatsvindt, alsmede alle locaties waar thans een woning in een voormalig bedrijfspand is gevestigd, als "Gemengde doeleinden (GD)" zijn bestemd. Het college heeft dit terecht in overeenstemming geacht met het stadsdeelbeleid dat erin voorziet kleinschalige bedrijvigheid in De Pijp zo veel mogelijk te stimuleren. Dat hiermee verpaupering zou ontstaan in de wijk acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Van belang is voorts dat de woonfunctie ook met deze bestemmingsregeling in beginsel op alle bouwlagen toegelaten is en bedrijvigheid, behoudens nadere aanduidingen op de plankaart, alleen is toegelaten op de eerste bouwlaag, in het souterrain en/of in de kelder. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook met de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" het behoud van de woonfunctie voldoende gewaarborgd is.

2.31.1. Aan de door de Stichting Belangenbehartiging en anderen bedoelde percelen aan de Stadhouderskade, de Amsteldijk, het Sarphatipark en de Ceintuurbaan is de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" met de aanduiding "omzetting naar woonfunctie niet toegestaan" toegekend. De aanduiding brengt niet met zich dat op de desbetreffende percelen niet meer mag worden gewoond indien dat reeds ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan plaatsvond. De woonfunctie wordt derhalve alleen beperkt voor zover het nieuwe woonfuncties betreft. Nieuwe woonfuncties zijn hier uitgesloten om de reden dat de geluidbelasting ter plaatse hoger is dan de maximale ontheffingswaarde. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college aan die omstandigheid niet in redelijkheid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen.

2.31.2. Wat betreft de in het plan neergelegde bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" voor de panden aan de Eerste Jacob van Campenstraat overweegt de Afdeling dat hier ingevolge het stadsdeelbeleid is voorzien in functiemenging op de looproute tussen het Museumplein en het Marie Heinekenplein. Deze bestemmingsregeling is in overeenstemming met het beleid het toerisme in het stadsdeel te stimuleren. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college, nu de woonfunctie ook hier niet wordt wegbestemd, niet in redelijkheid met het vasthouden aan dit beleid heeft kunnen instemmen.

2.31.3. Aan het perceel Van Ostadestraat 115 is de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" toegekend. Het souterrain van het pand op dit perceel wordt sinds enige jaren als kantoor gebruikt. De keuze voor de bestemming is ingegeven door de aanwezigheid van het bedrijf en de omstandigheid dat de Van Ostadestraat gekenmerkt wordt door een menging van bedrijvigheid en wonen op de verdiepingen. Achterliggende overweging daarbij is geweest dat een tendens waarneembaar is waarbij kleinschalige bedrijvigheid wordt verdrongen door de woonfunctie. De stadsdeelraad wil deze kleinschalige bedrijvigheid voor de wijk behouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met dat uitgangspunt heeft kunnen instemmen. Het beroep van de Stichting Belangenbehartiging en anderen op de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2004 faalt. Het betrof in die zaak een in bezwaar alsnog geweigerde vergunning tot onttrekking van de woning Van Ostadestraat 115-souterrain aan de woningvoorraad welke weigering in beroep en hoger beroep in stand is gebleven. De bestemmingsregeling waarop het geschil thans ziet, sluit een gebruik van het souterrain van het pand ten behoeve van de woonfunctie niet uit.

Bouwhoogten

2.32. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat de maximale bouwhoogte ten onrechte niet per pand op de plankaart is aangegeven. Hierbij dient het principe "straatbreedte is bouwhoogte" te worden gehanteerd. De bouwhoogten dienen volgens hen niet hoger te zijn dan zeventien meter.

2.33. In de plantoelichting is aangegeven dat de maximale bouw- en goothoogten van gebouwen per pand en per straat/blok zijn geregeld. Bij een regeling per pand wordt op de plankaart aangegeven wat de maximumbouwhoogte is en bij aanwezigheid van een kap ook de maximumgoothoogte. Het huidige stedenbouwkundige beeld wordt op gedetailleerde wijze behouden, aldus de plantoelichting. Bij een regeling per straat/blok worden de bouw- en goothoogte bepaald door wat als overwegende bouw- en goothoogte in (een deel van) een bouwblok voorkomt. Dit biedt enige flexibiliteit binnen het huidige stedenbouwkundige beeld, aldus de plantoelichting.

Voorts is aangegeven dat, aangezien binnen De Pijp in de bestaande situatie zeer veel afwisselende bouwhoogten voorkomen, het vastleggen van de maximumbouwhoogte per pand zou betekenen dat bijvoorbeeld voor twee naast elkaar gelegen panden een afwijkende bouwhoogte geldt, hoewel vanuit ruimtelijk-planologisch oogpunt eenzelfde bouwhoogte aanvaardbaar zou zijn. In het bestemmingsplan is er daarom voor gekozen één maximumbouw- en (in voorkomende gevallen) -goothoogte op te nemen per straat of per blok. Hierbij is aangesloten op de meest in die straat of dat blok voorkomende hoogten. Bestaande hogere gebouwen zijn als uitzondering hierop positief bestemd. Een uitzondering op de regeling per blok/straat zijn de panden binnen De Pijp die op grond van hun architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit zeer waardevol worden geacht.

2.34. Naar uit de planregeling volgt, hetgeen in het deskundigenbericht wordt bevestigd, zijn de bestaande bouw- en goothoogten, met name waar het betreft panden in architectonisch of stedenbouwkundig waardevolle gebieden, met aanduidingen op de plankaart nauwkeurig vastgelegd. Voor zover het betreft de regeling per pand hebben de Stichting Belangenbehartiging en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de aangegeven hoogten afwijken van de bestaande situatie. Wat betreft de regeling per blok/straat heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met het uitgangspunt dat hiermee enige flexibiliteit wordt geboden om hoogten op elkaar af te stemmen. De Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze regeling aanleiding kan geven voor bouw- en goothoogten die in ernstige mate afwijken van of afbreuk doen aan het bestaande stedenbouwkundige beeld. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid geen aanleiding voor een andere hoogteregeling behoeven te zien.

UMTS-masten

2.35. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat het plan, gelet op de stralings- en welstandsgevolgen, ten onrechte voorziet in de mogelijkheid UMTS-masten op woongebouwen te plaatsen.

2.36. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder e, van het Bblb is het bouwen van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie, mits voldaan wordt aan de in dat voorschrift bedoelde kenmerken, bouwvergunningsvrij.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, is voor het bouwen, als bedoeld in artikel 3, in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, een lichte bouwvergunning vereist.

2.36.1. Ingevolge artikel 17, aanhef en onder d, van de planvoorschriften is het dagelijks bestuur bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het plan met dien verstande dat de in de voorschriften toegestane maximale bouwhoogten […] met ten hoogste vijf meter worden overschreden ten behoeve van schoorstenen, antennes, ventilatie-inrichtingen en antennemasten voor mobiele telefonie.

2.37. Voor zover het plaatsen van UMTS-masten in overeenstemming is met het Bblb kan dit vergunningsvrij of met een lichte bouwvergunning, daargelaten een eventueel benodigde vergunning op grondslag van de monumentenwetgeving, geschieden. De vergunningsvrije bouwmogelijkheden mogen door middel van bestemmingsplanvoorschriften niet worden beperkt. Voorts overweegt de Afdeling dat artikel 17, aanhef en onder d, van de planvoorschriften een algemeen gesteld en op zichzelf niet ongebruikelijk voorschrift is in bestemmingsplannen. Het voorschrift heeft een ruimere strekking dan alleen UMTS-masten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat UMTS-masten in dit voorschrift uitdrukkelijk uitgesloten hadden moeten worden. De eventuele gevolgen, zoals door de Stichting Belangenbehartiging en anderen bedoeld, kunnen nader aan de orde worden gesteld in een vrijstellingsprocedure.

Beschermd stadsgezicht en monumenten

2.38. De Stichting Belangenbehartiging en anderen komen verder op tegen de aanwijzing als beschermd stadsgezicht van De Pijp en de rijksmonumentenstatus voor 300 tot 350 sociale huurwoningen. Deze aanwijzingen leiden volgens hen tot een ontoelaatbare stijging van de huurprijzen. Voorts wijzen zij erop dat het voormalige badhuis op het Smaragdplein ten onrechte niet is aangeduid als "rijksmonument".

2.39. Anders dan de Stichting Belangenbehartiging en anderen kennelijk veronderstellen, brengt het bestemmingsplan niet met zich een aanwijzing van delen van De Pijp als beschermd stadsgezicht of de aanwijzing van panden als rijksmonument. Deze aanwijzingsbesluiten worden genomen op grondslag van de Monumentenwet 1988. Van de aanwijzing van delen van De Pijp als beschermd stadsgezicht is overigens geen sprake. Verder komt aan de op de plankaart voor verschillende percelen vermelde aanduiding "rijksmonument" geen bindende betekenis toe, aangezien aan die aanduiding geen planvoorschriften zijn verbonden. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen aanleiding in te gaan op het bezwaar van de Stichting Belangenbehartiging en anderen dat het voormalige badhuis op het Smaragdplein ten onrechte niet als rijksmonument is aangeduid.

Doorzicht Pienemanstraat

2.40. De Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen in beroep dat het college ten onrechte heeft ingestemd met de aanduiding "doorzicht" aan de Jozef Israëlskade ter hoogte van de Pienemanstraat. Zij vrezen dat de aanduiding met zich brengt dat ter plaatse bomen moeten worden verwijderd. In de inspraakfase is het schrappen van de aanduiding volgens hen toegezegd.

2.41. Het college heeft ingestemd met de desbetreffende regeling die ten doel heeft het zicht op het water vanuit de wijk te verbeteren. Daar waar in de bestaande situatie woonboten ter plaatse van een doorzicht zijn gelegen, wordt ernaar gestreefd het doorzicht te herstellen. Het bestemmingsplan maakt hiertoe vrijwillige verplaatsing van deze woonboten mogelijk.

2.42. Op de plankaart is voor het Amstelkanaal in het verlengde en ter breedte van de Pienemanstraat voorzien in de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Waterweg/gracht (Wg)". Op deze beide bestemmingen rust de aanduiding "doorzicht". Voor de bestemming "Woondoeleinden (W)" gelden voorts de aanduiding "water" en gedeeltelijk twee aanduidingen "waterkavel".

Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften zijn ter plaatse van de aanduiding "water" uitsluitend de volgende functies toegestaan:

- waterweg/gracht als bedoeld in artikel 13;

- ligplaatsen voor woonboten inclusief bijbehorende steigers, vlonders, vlotten en bergingen op steigers of vlonders, ter plaatse van de op de plankaart aangegeven waterkavels.

Ingevolge het achtste lid is het dagelijks bestuur bevoegd, met inachtneming van artikel 11 van de WRO en met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, het plan te wijzigen door het schrappen van één of meer waterkavels voor zover deze, al dan niet gedeeltelijk, met een nadere aanduiding "doorzicht" op de plankaart zijn weergegeven en het hiervoor in de plaats toevoegen van één of meer nieuwe waterkavels ter plaatse van het gebied dat op de plankaart is aangeduid met "water", met dien verstande dat uitsluitend toepassing wordt gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid indien de na wijziging ontstane nieuwe waterkavel wordt aangewend voor verplaatsing van woonboten afkomstig van (een) te schrappen waterkavel(s).

2.43. Gelet op hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben aangevoerd, houdt de Afdeling het ervoor dat zij niet in het algemeen opkomen tegen het in het bestemmingsplan neergelegde beleid inzake het stimuleren van vrije doorzichten. Voor zover zij vrezen dat met het bewerkstelligen van deze doorzichten bomen moeten wijken, ziet de Afdeling in het plan noch in de daaraan ten grondslag liggende stukken aanknopingspunten die daarop wijzen. De planregeling beperkt zich tot het verplaatsen van ligplaatsen van woonboten ter plaatse van de aanduiding "doorzicht". Het college heeft zich, gelet op de overwegingen in 2.28., in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bescherming van waardevolle bomen afdoende is gewaarborgd.

Tramspoor Ferdinand Bolstraat

2.44. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat het tramspoor in de Ferdinand Bolstraat ten onrechte niet op de plankaart is ingetekend.

2.45. De Ferdinand Bolstraat is met tramspoor op de plankaart aangegeven maar valt buiten het plangebied. Voor die gronden blijft het bestemmingsplan "Noord-Zuidlijn" van kracht. Voor zover de Stichting Belangenbehartiging en anderen zich op het standpunt stellen dat ook de Ferdinand Bolstraat in het plan opgenomen had moeten worden overweegt de Afdeling dat de stadsdeelraad, gelet op het stelsel van de WRO, in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de stadsdeelraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Daarbij is van belang dat de Noord-Zuidlijn een grootstedelijk project is waarvoor de bestemmingsplanbevoegdheid aan de gemeenteraad van Amsterdam toekomt.

Volkshuisvestingsaspecten

2.46. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat in het plan had moeten worden vastgelegd dat 60% van de woningvoorraad in De Pijp voor starters en doelgroepen moet worden behouden en dat het huidige aantal woningen moet worden vastgelegd om een verdere afname van het aandeel kleine woningen te voorkomen.

2.47. Anders dan de Stichting Belangenbehartiging en anderen veronderstellen, is het vastleggen in een bestemmingsplan van woningdifferentiatie naar prijs of te bereiken doelgroep niet mogelijk. Over een in het plan aan te duiden minimumaantal te behouden woningen overweegt de Afdeling dat, daargelaten de vraag of dit voor een bestaande situatie mogelijk is, het plan conserverend van aard is en dat niet is voorzien in een herstructurering van de wijk door sloop en rooilijnverlegging. Voor de door de Stichting Belangenbehartiging en anderen geuite vrees ziet zij dan ook reeds om die reden geen grond.

Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

2.48. De Stichting Belangenbehartiging en anderen voeren aan dat het plan ten onrechte niet is getoetst aan de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Daarbij wijzen zij op ingrepen die op binnenterreinen kunnen plaatsvinden en de aanwezigheid van de huismus en vleermuissoorten.

2.49. In de plantoelichting is ingegaan op de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, meer in het bijzonder in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Het plangebied bevindt zich niet in een te beschermen gebied. De Stichting Belangenbehartiging en anderen hebben, gelet op het conserverende karakter van het plan, niet aannemelijk gemaakt dat het plan voor de genoemde diersoorten kan leiden tot strijdigheid met de Flora- en faunawet. Voor zover het plan met vrijstelling ontwikkelingen mogelijk maakt, zullen in dat kader de gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten moeten worden afgewogen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de in de plantoelichting neergelegde toets kon worden volstaan.

Horeca- en bedrijfsmogelijkheden

2.50. [appellante sub 2] stelt in beroep dat het college de bestemmingsregeling voor haar percelen [locatie 1]-[locatie 2] ten onrechte heeft goedgekeurd. Ten onrechte is de functie horeca, mede gelet op het bestaande gebruik, niet bij recht mogelijk gemaakt. Haar belangen als eigenaar worden geschaad aangezien bij een mogelijke verhuur ten behoeve van horeca eerst vrijstelling moet worden gevraagd. Daarbij wijst [appellante sub 2] op de vorige bestemmingsregeling die deze functie volgens haar wel toeliet. Voorts is vestiging van horeca in de categorieën I, II en III ten onrechte niet mogelijk gemaakt. Ten slotte maakt [appellante sub 2] bezwaar tegen de beperking van het maximale brutovloeroppervlak tot 300 m². Ter zitting heeft zij haar beroepsgrond die ziet op de goedkeuring van artikel 4, negende lid, van de planvoorschriften, ingetrokken.

2.51. [appellant sub 3] stelt in beroep dat het college de bestemmingsregeling voor zijn percelen [locatie 3]-[locatie 4] ten onrechte heeft goedgekeurd. Hij voert vergelijkbare beroepsgronden aan als [appellante sub 2] met dien verstande dat horeca volgens hem ingevolge het vorige bestemmingsplan op het perceel [locatie 3] toegestaan was en dat het voor de Stadhouderskade geldende maximale brutovloeroppervlak van 400 m² hem te veel in zijn mogelijkheden beperkt. Voorts acht hij de bestemmingsregeling in zoverre onduidelijk omdat niet blijkt of het maximale brutovloeroppervlak van 400 m² ook geldt indien voor horeca toepassing wordt gegeven aan de vrijstellingsmogelijkheid. De vrijstellingsregeling voor horeca IV met de beperking tot 25% van de straatwand is volgens [appellant sub 3] rechtsonzeker en strijdig met artikel 15 van de WRO. Bovendien bestaat er volgens hem geen risico op een te grote concentratie van horeca-ondernemingen.

2.52. De Stichting Belangenbehartiging en anderen stellen in beroep dat winkels en bedrijven niet groter zouden moeten zijn dan 300 m². Zij achten een oppervlak van 400 m² voor horeca IV niet nodig omdat bestaande grotere oppervlaktes toegestaan blijven. Ook voeren zij aan dat alle uitbreidingsmogelijkheden voor horeca uit het plan geschrapt moeten worden. Voorts komen de Stichting Belangenbehartiging en anderen op tegen de goedkeuring van artikel 4, achtste lid, onder d, van de planvoorschriften. Zij vrezen dat de binnenterreinen van de panden aan de Ferdinand Bolstraat door dit voorschrift verder volgebouwd kunnen worden.

2.53. Aan het plandeel voor de percelen [locatie 1]-[locatie 2] is de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" met de aanduidingen "winkellint" en "niet-woonfunctie in 3 bouwlagen toegestaan" toegekend.

Aan het plandeel voor het perceel [locatie 3] is voornoemde bestemming met de aanduiding "winkellint" toegekend. Aan het plandeel voor het perceel [locatie 4] is voornoemde bestemming toegekend zonder de aanduiding "winkellint".

2.53.1. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt verstaan onder:

- horeca I: fastfoodrestaurants, cafetaria's, snackbars en shoarmazaken;

- horeca II: dancings, discotheken en zaalverhuurbedrijven;

- horeca III: cafés en bars;

- horeca IV: restaurants, eetcafés, lunchrooms, koffie-/theehuizen en ijssalons;

- straatwand: aan een straat gelegen zijde van een in hoofdzaak aaneengesloten bouwblok.

Horeca II-inrichtingen komen in het plangebied niet voor.

2.53.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor "Gemengde doeleinden (GD)", voor zover thans van belang, aangewezen voor:

a. woningen met inbegrip van bijbehorende bergingen en andere nevenruimten […];

b. huisgebonden beroep of bedrijf;

alsmede voor:

c. detailhandel, bedrijven met inachtneming van artikel 14, kantoren, dienstverlening en maatschappelijke dienstverlening wat betreft de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder;

[…]

e. horeca I, III en IV wat betreft de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder, ter plaatse van de in de bijlage bij de voorschriften opgenomen lijst "Toegestane horeca" onder a. genoemde adressen;

f. horeca III en IV wat betreft de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de in de bijlage bij de voorschriften opgenomen lijst "Toegestane horeca" onder b. genoemde adressen;

g. horeca IV wat betreft de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de in de bijlage bij de planvoorschriften opgenomen lijst "Toegestane horeca" onder c. genoemde adressen.

Ingevolge het zesde lid, onder a, zijn in afwijking van het eerste lid, onder a, daar waar dat met de nadere aanduiding "winkellint" op de plankaart staat aangegeven, met inachtneming van het eerste lid, onder d tot en met i, in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder uitsluitend detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke dienstverlening toegestaan.

Ingevolge het zevende lid, onder b, zijn de op grond van het eerste lid toegestane niet-woonfuncties in afwijking van het eerste lid eveneens toegestaan in de tweede en derde bouwlaag, daar waar dat met de nadere aanduiding "niet-woonfunctie in 3 bouwlagen toegestaan" op de plankaart staat aangegeven.

Ingevolge het achtste lid, onder a, mogen de in het eerste lid, onder c en e tot en met g genoemde functies een brutovloeroppervlak per vestiging hebben van maximaal 300 m². Ingevolge het bepaalde onder b zijn in afwijking van het bepaalde onder a de op het moment van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaande vestigingen van de onder a bedoelde functies die een groter brutovloeroppervlak hebben dan 300 m² toegestaan. Een verdere vergroting van het brutovloeroppervlak is niet toegestaan. Ingevolge het bepaalde onder c geldt in afwijking van het bepaalde onder a ter plaatse van de Amsteldijk en de Stadhouderskade voor horeca IV-bedrijven een maximumbrutovloeroppervlak van 400 m². Ingevolge het bepaalde onder d geldt in afwijking van het bepaalde onder a ter plaatse van de Ferdinand Bolstraat tussen de Albert Cuypstraat en de Ceintuurbaan geen maximumbrutovloeroppervlak per vestiging van de bedoelde functies.

Ingevolge artikel 4, negende lid, van de planvoorschriften is het dagelijks bestuur bevoegd vrijstelling te verlenen van het eerste lid, onder g, met dien verstande dat horeca IV tevens wordt toegestaan onder meer ter plaatse van de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder van de panden met de in dit artikel in het zesde lid genoemde nadere aanduiding "winkellint" alsmede aan de Stadhouderskade, met dien verstande dat het percentage van de lengte van de straatwand dat voor horeca I, III en IV wordt toegestaan in totaal maximaal 25 is.

2.53.3. Ingevolge artikel 18, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften mag het gebruik of het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop dit rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet, met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met de tot dat tijdstip geldende bepalingen met betrekking tot het gebruik van de gronden en bebouwing.

2.54. De percelen [locatie 1]-[locatie 2] noch de percelen [locatie 3]-[locatie 4] staan vermeld op de bij de planvoorschriften behorende lijst "Toegestane horeca".

De locatie [locatie 1]-[locatie 2] betreft een pand met vijf etages en een kelder. Iedere bouwlaag omvat ongeveer 350 m². Op de begane grond is een winkel gevestigd. De vier etages hierboven met een oppervlakte van ongeveer 1.400 m² zijn in gebruik bij Snookercentrum Amsterdam-Zuid. Op drie etages bevinden zich bars die fysiek van de pool- en snookerruimtes zijn gescheiden. De ingang voor de bovenverdiepingen bevindt zich aan de Van Ostadestraat 97-II.

De locatie [locatie 3]-[locatie 4] betreft een voormalig bankgebouw met woningen erboven. Voor de begane grond en kelder zijn op 3 januari 2007 vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor de vestiging van een horeca IV-inrichting. Op 5 maart 2007 is een bouwvergunning tweede fase verleend.

2.55. In het streekplan Noord-Holland Zuid uit 2003 en het structuurplan Kiezen voor stedelijkheid, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam op 16 april 2003, is De Pijp ten zuiden van de Ceintuurbaan aangewezen als Stedelijk wonen en werken en ten noorden van de Ceintuurbaan als Grootstedelijk kerngebied. Binnen het deel Stedelijk wonen en werken is de woonbestemming dominant, maar wordt vermenging met kleinschalige andere functies nagestreefd. Het deel Grootstedelijk kerngebied is bepalend voor de uitstraling van Amsterdam als een internationaal cultureel, economisch en toeristisch centrum. Daarnaast moet er worden gewoond in zeer hoge dichtheden.

2.56. In de plantoelichting is vermeld dat functiemenging in grote delen van De Pijp plaatsvindt. Op de begane grond bevinden zich verschillende functies, bijvoorbeeld bedrijven, kantoren, winkels en horeca. Erboven wordt veelal gewoond. Deze gebieden zijn bestemd als "Gemengde doeleinden (GD)". Op de begane grond zijn naast woningen ook kantoren, bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en dienstverlening toegestaan. Uitwisseling van functies is toegestaan. Op de bovengelegen bouwlagen zijn, behoudens legale afwijkingen die op de plankaart staan aangegeven, alleen woningen toegestaan.

In de plantoelichting is voorts vermeld dat kleinschalige vestigingen kenmerkend zijn voor De Pijp. Om dit kleinschalige karakter te waarborgen is in het thans voorliggende plan, evenals in het vorige bestemmingsplan, een maximumvloeroppervlak van 300 m² per vestiging opgenomen, evenwel zonder de vrijstellingsregeling van het vorige bestemmingsplan. Met deze regeling wordt voorkomen dat de begane grond van verschillende panden wordt samengevoegd. Een uitzondering geldt voor horeca IV-bedrijven aan de Amsteldijk en de Stadhouderskade. Langs deze straten wordt, gezien het ruime oppervlak van de bestaande panden, in lijn met de notitie Horecabeleid De Pijp uit 2003, ruimte geboden voor het vestigen van grotere restaurants met een maximumbrutovloeroppervlak van 400 m² per vestiging. Bestaande legale afwijkingen van het maximumvloeroppervlak van 300 m² zijn bij recht toegestaan. Voor het gedeelte van de Ferdinand Bolstraat tussen de Albert Cuypstraat en de Ceintuurbaan met de aanduiding "winkellint" geldt geen maximumvloeroppervlak per vestiging. Hiermee wordt een verdere economische ontwikkeling van dit gebied mogelijk gemaakt. Uit onderzoek in 2003, neergelegd in de Ruimtelijk Economische Verkenning van de Ferdinand Bolstraat, is gebleken dat voor de functies die zich hier bevinden een verruiming van het winkeloppervlak nodig is, aldus de plantoelichting.

2.57. Het beleid met betrekking tot horeca in De Pijp is uiteengezet in de nota Horecabeleid De Pijp uit 2003 die aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. Het beleid ziet uitsluitend op zelfstandige horeca waarbij de begripsomschrijving van horeca uit de Algemene plaatselijke verordening als uitgangspunt geldt. Horeca als hotels, ondersteunende vormen en, aldus de stadsdeelraad, ook inrichtingen als snookercentra worden niet door het beleid bestreken. Met het beleid wordt enige uitbreiding van horeca IV-bedrijven in nader aangegeven straten nagestreefd. In de plantoelichting wordt hiertoe gewezen op de verruiming van het maximumvloeroppervlak van vestigingen aan de Amsteldijk en de Stadhouderskade en de regeling dat ter voorkoming van horecalinten, zoals aanwezig in het centrum van de stad, maximaal 25% van de totale gevellengte in de desbetreffende straten op de begane grond uit horeca mag bestaan.

2.58. Voor zover [appellante sub 2] en [appellant sub 3] voor de percelen [locatie 1]-[locatie 2] onderscheidenlijk [locatie 3] verwijzen naar ruimere horeca-mogelijkheden ingevolge de vorige bestemmingsregeling overweegt de Afdeling dat, daargelaten de juistheid van die stellingen, in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend aan vorige regelingen. De stadsdeelraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Wel geldt met het oog op de rechtszekerheid als uitgangspunt dat bestaand gebruik waarvan niet aannemelijk is dat dit binnen de planperiode zal worden beëindigd, als zodanig wordt bestemd.

2.58.1. De stadsdeelraad heeft in dit geval het in de nota Horecabeleid De Pijp neergelegde beleid dienovereenkomstig in het bestemmingsplan vertaald. De Afdeling ziet, mede onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 mei 2007 in zaak no. 200605581/1, geen aanleiding dit beleid, voor zover daarmee de nieuwvestiging van horeca I, II en III wordt uitgesloten, voor onredelijk te houden. Niet kan worden volgehouden dat de tot horeca I, II en III te rekenen inrichtingen eenzelfde mate van ruimtelijke uitstraling hebben als horeca IV. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat nieuwvestiging van horeca I, II en III strijdig is met het horecabeleid. Bovendien is niet gebleken van concrete voornemens tot vestiging van dergelijke horeca-inrichtingen, nog daargelaten of deze tot vestiging zouden kunnen leiden. Het college heeft anderszins in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien de mogelijkheden tot nieuwvestiging van horeca IV te verstrekkend te achten. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen, [appellante sub 2] en [appellant sub 3] in zoverre hebben aangevoerd, heeft het college geen aanleiding behoeven te zien voor het standpunt dat de stadsdeelraad niet aan het beleid om horeca IV bij wijze van nieuwvestiging toe te laten en horeca I, II en III van nieuwvestiging uit te sluiten, heeft kunnen vasthouden.

2.58.2. Voor zover het betreft het in het plan neergelegde maximale brutovloeroppervlak van 300 m² overweegt de Afdeling dat de Stichting Belangenbehartiging en anderen deze niet hebben bestreden. Voor zover [appellante sub 2] dit maximum heeft bestreden overweegt de Afdeling dat deze oppervlakte in overeenstemming kan worden geacht met het beleid dat erop is gericht in De Pijp in kleinschalige bedrijvigheid te voorzien en meer vestigingsmogelijkheden te bieden voor weinig overlast gevende horeca. Niet is gebleken dat het uitgangspunt dat daarbij is aangesloten bij de bestaande omvang van de eerste bouwlagen in De Pijp, onjuist is. Daarbij is voorts van belang dat een bestaande grotere oppervlakte toegestaan blijft. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, heeft het college geen aanleiding behoeven te zien een oppervlak van 300 m² voor te gering te houden.

2.58.3. Voor zover de Stichting Belangenbehartiging en anderen en [appellant sub 3] het maximale brutovloeroppervlak van 400 m² voor horeca IV aan de Amsteldijk en Stadhouderskade te groot onderscheidenlijk te gering achten, overweegt de Afdeling dat ook deze oppervlakte in overeenstemming kan worden geacht met het hiervoor bedoelde beleid om enige nieuwvestiging van weinig overlast gevende horeca mogelijk te maken. Daarbij is van belang dat de panden aan de Amsteldijk en Stadhouderskade groter zijn en dat hier om die reden ruimere mogelijkheden kunnen worden geboden. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen aan de ene kant en [appellant sub 3] aan de andere kant hebben aangevoerd, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien het oppervlak voor de Amsteldijk en de Stadhouderskade voor te ruim onderscheidenlijk te gering te houden.

2.58.4. Voor zover het betreft het ontbreken van een maximumbrutovloeroppervlak voor de percelen aan de Ferdinand Bolstraat tussen de Albert Cuypstraat en de Ceintuurbaan overweegt de Afdeling dat dit een binnen het plangebied relatief klein gebied is en dat de ruimere vestigingsmogelijkheden passen binnen het beleid de winkelfunctie hier te versterken. In hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen op dit punt hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de keuze van de stadsdeelraad aan het beleid vast te houden. Daarbij overweegt zij dat geen aanleiding behoeft te bestaan voor de vrees dat binnentuinen door die regeling worden volgebouwd, aangezien de regeling is beperkt tot de met bouwgrenzen omgeven gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)".

2.58.5. Verder ziet de Afdeling voor de door [appellant sub 3] bedoelde onduidelijkheid inzake het maximumbrutovloeroppervlak geen grond. Uit artikel 4, achtste lid, onder c, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met het eerste en negende lid, volgt dat, indien horeca IV mogelijk is gemaakt met vrijstelling, ook voor die functie het maximum van 400 m² brutovloeroppervlak geldt. Artikel 4, achtste lid, onder c, beperkt zich derhalve niet tot horeca IV-inrichtingen die bij recht mogelijk zijn gemaakt.

2.58.6. Over de vrijstellingsregeling in artikel 4, negende lid, van de planvoorschriften overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen met inachtneming van de in het plan vervatte regelen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een vrijstellingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 15 van de WRO berustende vrijstellingsbevoegdheid dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in artikel 4, negende lid, neergelegde vrijstellingsregeling en meer in het bijzonder het vermelde percentage van 25 rechtsonzeker of strijdig met artikel 15 van de WRO is. Aan de hand van de plankaart en het feitelijke gebruik, aangevuld met actuele informatie van de zijde van het stadsdeelbestuur, kan op relatief eenvoudige wijze worden vastgesteld of en zo ja, welk gedeelte van een straatwand voor horeca IV in aanmerking komt. Of vrijstelling zal worden verleend indien het percentage van 25 nog niet is bereikt, zal in de desbetreffende procedure, waarbij alle belangen moeten worden afgewogen, moeten worden uitgemaakt.

Het college heeft een procentuele beperking in het gebruik van panden in de voorliggende situatie niet onredelijk of anderszins onjuist behoeven te achten. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het percentage van 25 niet in overeenstemming is met aard en strekking van het door het stadsdeelbestuur gevoerde horecabeleid. Dat ook voor een hoger percentage had kunnen worden gekozen maakt dat, gelet op de vrijheid die de stadsdeelraad in deze situatie toekomt, niet anders.

2.58.7. Voor zover het betreft het gebruik van de percelen [locatie 1]-[locatie 2] als winkel en snookercentrum met horecagelegenheid stelt de Afdeling voorop dat het betoog van de stadsdeelraad dat het beroep van [appellante sub 2] inzake dit gebruik buiten beoordeling dient te blijven omdat dit pas in beroep is aangevoerd, faalt, reeds omdat dit onderdeel van het beroep ziet op het plandeel dat [appellante sub 2] zowel in beroep als in haar zienswijze en bedenkingen heeft bestreden.

Niet in geschil is dat het huidige gebruik van de percelen [locatie 1]-[locatie 2] met op de eerste bouwlaag een winkel en op de vier bouwlagen hierboven een snookercentrum met horecavoorzieningen niet in overeenstemming is met hetgeen voor die percelen in het plan is bepaald. Uit de planregeling volgt immers dat drie bouwlagen mogen worden gebruikt voor niet-woonfuncties, hetgeen betrekking heeft op de begane grond, het souterrain en/of de kelder alsmede de tweede en derde bouwlaag. Daargelaten of hiermee van elkaar verschillende niet-woonfuncties op de eerste drie bouwlagen zijn toegelaten, betekent dit in ieder geval dat het gebruik van de vierde en vijfde bouwlaag niet dienovereenkomstig is bestemd.

Voor het Snookercentrum Amsterdam-Zuid was tot 1 juni 2007 een exploitatievergunning A verleend voor een alcoholverstrekkend bedrijf zonder terras op de tweede verdieping van het perceel Van Ostadestraat 97-II. Voorts is voor de inrichting op de tweede verdieping op 13 mei 2004 een drank- en horecawetvergunning verleend. Niet is gebleken dat het dagelijks bestuur uit hoofde van de vorige bestemmingsregeling dan wel uit hoofde van andere sectorale wetgeving handhavend is opgetreden tegen het gebruik van het pand. Ter zitting is gebleken dat vergunningaanvragen voor het gehele snookercentrum al geruime tijd in procedure zijn. De stadsdeelraad heeft geen duidelijkheid kunnen geven of het ter plaatse aanwezige gebruik als winkel en snookercentrum met horecagelegenheden zal kunnen worden voortgezet dan wel dat het gebruik in overeenstemming met het bestemmingsplan zal moeten worden gebracht. Gelet op al het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de stadsdeelraad ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en het college ten tijde van de goedkeuring daarvan zich in onvoldoende mate in kennis hebben gesteld van het gebruik ter plaatse. Het college heeft mitsdien in zoverre onzorgvuldig gehandeld.

Conclusies

2.59. Uit 2.58.7. volgt dat de conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" voor de percelen [locatie 1]-[locatie 2], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.59.1. De conclusie is voorts dat hetgeen de Stichting Belangenbehartiging en anderen en [appellant sub 3] hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de Stichting Belangenbehartiging en anderen is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Proceskosten

2.60. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 2] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat wat betreft de Stichting Belangenbehartiging en anderen en [appellant sub 3] geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de Stichting Belangenbehartiging en anderen, voor zover ingediend door [4 appellanten], niet-ontvankelijk, behoudens voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 17, aanhef en onder d, van de planvoorschriften;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 13 maart 2007, kenmerk 2007-12127, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" voor de percelen [locatie 1]-[locatie 2], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

IV. verklaart het beroep van de Stichting Belangenbehartiging en anderen, voor zover ontvankelijk, en het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellante sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Bechinka

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

371.

plankaart