Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3584

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200801516/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Heerenveen (hierna: de raad) bij besluit van 25 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2007".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801516/2.

Datum uitspraak: 5 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur, gevestigd te Hillegom,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Heerenveen (hierna: de raad) bij besluit van 25 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2007".

Tegen dit besluit heeft onder meer de vereniging Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (hierna: de KAVB) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2008, heeft de KAVB de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2008, waar de KAVB, vertegenwoordigd door dr. J. van Aartrijk en mr. L.J. van Pelt, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De KAVB stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4.5., onder e, en artikel 5.5., onder d en h, van de planvoorschriften, nu daarin het gebruik van agrarische gronden ten behoeve van de wisselteelt van bloembollen binnen een afstand van 30 meter van woon- en verblijfsrecreatieve bestemmingen als strijdig gebruik is aangemerkt. De KAVB betoogt dat, zodra deze artikelen in werking treden, het gebruik van bedoelde agrarische gronden onredelijk en onnodig zal worden beperkt door voormelde gebruiksverboden.

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied 1"en "Agrarisch gebied 2" wenselijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening in verband met het veelvuldig gebruik van bestrijdingsmiddelen in de bloembollenteelt.

2.4. Ingevolge artikel 45, derde lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit plan, worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

2.5. Ter zitting heeft de KAVB aangegeven dat het verzoek uitsluitend ziet op gronden waar voormelde gebruiksverboden betrekking op hebben en die reeds in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan in gebruik zijn ten behoeve van agrarische doeleinden en waarop bloembollenteelt is toegestaan. Gelet op artikel 45, derde lid, van de planvoorschriften overweegt de voorzitter dat het agrarische gebruik van deze gronden, inclusief bloembollenteelt, onder de werking van het gebruiksovergangsrecht valt. De vrees van de KAVB dat na inwerkingtreding van de voormelde planvoorschriften op deze gronden binnen een afstand van 30 meter van woon- en verblijfsrecreatieve bestemmingen geen bloembollenteelt meer zou zijn toegestaan is derhalve ongegrond.

Gelet hierop stelt de voorzitter vast dat de KAVB geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008

459.