Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3583

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
200708274/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2006 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708274/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/824 van de rechtbank Utrecht van 13 november 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2006 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 22 januari 2007 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om herziening van de besluiten van 6 april en 3 augustus 2006 afgewezen.

Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2007, verzonden op 15 november 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2007.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

Het CBR heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Mos, advocaat te Utrecht, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, juridisch medewerker van het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, van die wet bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

2.2. De korpschef van de politieregio Utrecht heeft op 8 maart 2006 een schriftelijke mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130 van de WVW 1994 omdat bij [appellant] op 15 februari 2006 een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 1,3 promille en [appellant] binnen een periode van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, van de WVW 1994. Bij besluit van 6 april 2006 heeft het CBR hem gevorderd mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Omdat hij daaraan niet heeft meegewerkt heeft het CBR bij besluit van 3 augustus 2006 zijn rijbewijs ongeldig verklaard. De besluiten van 6 april en 3 augustus 2006 zijn in rechte onaantastbaar geworden.

2.3. Het verzoek om herziening moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op de besluiten van 6 april en 3 augustus 2006. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering daarop terug te komen heeft het CBR ten grondslag gelegd dat de stelling van [appellant], dat niet hij maar zijn zoon op 15 februari 2006 als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden, geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is en dat het vonnis van de politierechter, waarbij [appellant] is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, evenmin relevant is, aangezien volgens vaste jurisprudentie de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure geheel los staat van de strafrechtelijke procedure.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de vrijspraak van [appellant] in de strafrechtelijke procedure van het hem ten laste gelegde feit, zijnde het op 15 februari 2006 besturen van een motorrijtuig onder invloed van alcohol, geen nieuw feit of omstandigheid oplevert op grond waarvan het CBR tot heroverweging van de besluiten van 6 april 2006 en 3 augustus 2006 had dienen over te gaan. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] tegen het besluit van 6 april 2006 bezwaar had kunnen maken en in dat kader naar voren had kunnen brengen dat niet hij maar zijn zoon het motorrijtuig bestuurde.

2.5. [appellant] betoogt dat hij de besluiten van 6 april en 3 augustus 2006 niet heeft ontvangen en daardoor genoodzaakt was om herziening daarvan te verzoeken. Voorts betoogt hij dat hij op 15 februari 2006 het motorrijtuig niet heeft bestuurd. In dat verband wijst hij op de omstandigheid dat de politierechter hem heeft vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Derhalve is hem ten onrechte een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en had zijn rijbewijs niet ongeldig mogen worden verklaard.

2.6. Het hoger beroep slaagt niet. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is dat [appellant] het besluit van 6 april 2006 niet heeft ontvangen reeds omdat hij bij zijn verzoek om herziening een afschrift daarvan heeft bijgevoegd en het hem aangetekend verzonden besluit niet is geretourneerd wegens onbestelbaarheid.

Tegen het besluit van 3 augustus 2006 heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het CBR dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingediend. In dat kader heeft het CBR overwogen dat het niet afhalen van per aangetekende brief verzonden post voor rekening en risico van [appellant] komt. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld, waardoor het in rechte onaantastbaar is geworden. In de thans aanhangige procedure dient daarvan te worden uitgegaan.

2.7. De stelling van [appellant] dat niet hij maar zijn zoon op 15 februari 2006 het motorrijtuig heeft bestuurd, daargelaten de juistheid daarvan, had [appellant] reeds, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, tegen het besluit van 6 april 2006 kunnen aanvoeren. Het vonnis van de politierechter, waarbij [appellant] is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde rijden onder invloed, is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid die tot heroverweging dient te leiden omdat de feiten die daaraan ten grondslag liggen reeds in het kader van de besluitvorming die heeft geleid tot het besluit van 6 april 2006 naar voren hadden kunnen worden gebracht en dat besluit betrekking heeft op een bestuursrechtelijke maatregel, die los staat van een eventuele strafrechtelijke procedure, en er op gericht is de ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk geachte deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig af te dwingen. Een door een politieagent op ambtsbelofte of ambtseed opgemaakt proces-verbaal vormt in het algemeen voldoende grondslag voor het standpunt dat sprake is van een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994. Door de hiervoor vermelde vrijspraak is de wettelijke grondslag daaraan niet komen te ontvallen.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de vrijspraak geen nieuw feit of omstandigheid oplevert om tot heroverweging van de besluiten van 6 april en 3 augustus 2006 over te gaan.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008

307.