Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3189

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200802716/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / vluchtgevaar / onrechtmatig aanleggen van handboeien

Zoals de Afdeling evenzeer in voormelde uitspraak heeft overwogen, maakt het niet naleven van artikel 22 van de Ambtsinstructie, gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, de oplegging van de maatregel alleen dan onrechtmatig, indien de met de inbewaringstelling gemoeide belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dit gebrek en de daarmee geschonden belangen. Dat de vreemdeling, zoals het aanvullende proces-verbaal van 17 april 2008 vermeldt, zenuwachtig door de kamer heen en weer liep en niet wilde blijven stilstaan, maakt, bij gebreke van verdere op de persoon van de vreemdeling betrokken feiten en omstandigheden, niet dat reeds daarom sprake was van vluchtgevaar. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris voorts geen bijzondere en zwaarwegende belangen heeft gesteld op grond waarvan het onrechtmatig aanleggen van handboeien niet leidt tot onrechtmatigheid van de inbewaringstelling van de vreemdeling. In de omstandigheden die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan het met de bewaring gemoeide belang van openbare orde, liggen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bijzondere belangen zoals evenbedoeld niet besloten. Ook in het verweerschrift dat de staatssecretaris heeft ingediend in reactie op het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep zijn zodanige belangen niet gesteld. Gelet hierop en op de belangen ter bescherming waarvan artikel 22 van de Ambtsinstructie strekt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/276
JV 2008/274
Ars Aequi RV20080078 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802716/1.

Datum uitspraak: 27 mei 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/10209 van de rechtbank 's Gravenhage van 7 april 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 april 2008, verzonden op 11 april 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 april 2008, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren personen staandehouden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, verklaart de rechtbank het beroep gegrond, indien zij bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing ervan of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging.

2.2. In grief 1 klaagt de vreemdeling onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, voor zover zou komen vast te staan dat de vreemdeling handboeien zijn aangelegd, hij daarmee niet dermate in zijn belangen is geschaad dat dit, mede gelet op de gronden die aan de bewaring ten grondslag zijn gelegd en het feit dat hij sinds 2000 in Nederland verblijft, de bewaring onrechtmatig maakt. Daartoe voert de vreemdeling aan dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet is gebleken van enig vluchtgevaar, zodat het aanleggen van handboeien tijdens de staandehouding strijd oplevert met de Ambtsinstructie voor de Koninklijke marechaussee, de politie en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie). De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend, dat in de door haar ingeroepen uitspraak van de Afdeling van 23 april 2003, in zaak nr. 200300856/1 (JV 2003/259), anders dan in dit geval, sprake was van vluchtgevaar. Nu door de staatssecretaris, buiten de gronden die aan de bewaring ten grondslag zijn gelegd, geen belangen zijn gesteld die, ondanks schending van artikel 22 van de Ambtsinstructie, voortduring van de bewaring kunnen rechtvaardigen, had de rechtbank de bewaring van meet af aan onrechtmatig moeten achten, aldus de vreemdeling.

2.2.1. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Ambtsinstructie kan de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

Ingevolge het tweede lid kan de maatregel, bedoeld in het eerste lid, slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

Ingevolge het derde lid kunnen de in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden slechts gelegen zijn in de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.

2.2.2. Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 19 maart 2008 vermeldt niet dat handboeien zijn aangelegd.

Het door de staatssecretaris bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde op ambtsbelofte opgemaakte aanvullend proces-verbaal van 17 april 2008 vermeldt, voor zover thans van belang, dat het de verbalisanten ambtshalve bekend is dat vreemdelingen tijdens vreemdelingenacties vluchtgevaarlijk zijn en dat de vreemdeling zenuwachtig door de woonkamer heen en weer liep en niet wilde blijven stilstaan, waarna hij, alvorens te worden overgebracht naar bureau Ganzenhoef te Amsterdam, vanwege de vluchtgevaarlijkheid is geboeid.

Uit laatstvermeld proces-verbaal kan worden afgeleid dat de vreemdeling tijdens de periode van de staandehouding is geboeid. Zoals de Afdeling in de door de vreemdeling aangehaalde uitspraak van 23 april 2003 heeft overwogen, is het niet toegestaan een vreemdeling tijdens zijn staandehouding handboeien aan te leggen. Artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 biedt immers geen grondslag voor vrijheidsbeneming. De handboeien zijn derhalve in strijd met de Ambtsinstructie aangelegd.

2.2.3. Zoals de Afdeling evenzeer in voormelde uitspraak heeft overwogen, maakt het niet naleven van artikel 22 van de Ambtsinstructie, gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, de oplegging van de maatregel alleen dan onrechtmatig, indien de met de inbewaringstelling gemoeide belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dit gebrek en de daarmee geschonden belangen.

Dat de vreemdeling, zoals het aanvullende proces-verbaal van 17 april 2008 vermeldt, zenuwachtig door de kamer heen en weer liep en niet wilde blijven stilstaan, maakt, bij gebreke van verdere op de persoon van de vreemdeling betrokken feiten en omstandigheden, niet dat reeds daarom sprake was van vluchtgevaar. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris voorts geen bijzondere en zwaarwegende belangen heeft gesteld op grond waarvan het onrechtmatig aanleggen van handboeien niet leidt tot onrechtmatigheid van de inbewaringstelling van de vreemdeling. In de omstandigheden die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan het met de bewaring gemoeide belang van openbare orde, liggen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bijzondere belangen zoals evenbedoeld niet besloten. Ook in het verweerschrift dat de staatssecretaris heeft ingediend in reactie op het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep zijn zodanige belangen niet gesteld. Gelet hierop en op de belangen ter bescherming waarvan artikel 22 van de Ambtsinstructie strekt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De grief slaagt in zoverre.

2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in grief 1 en in grief 2 is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren. Nu de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van meet af aan onrechtmatig is, behoeven de overige voorgedragen beroepsgronden geen bespreking.

2.3. De aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring dient te worden opgeheven. Aan hem wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 op na te melden wijze een vergoeding toegekend over de periode van 19 maart 2008 tot 27 mei 2008.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 april 2008 in zaak nr. 08/10209;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling een vergoeding van € 4880,00 (zegge: vierduizend achthonderdtachtig euro) te betalen;

VI. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2008

347-562.

Verzonden: 27 mei 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak