Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200800351/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Iran / bekering tot christendom in Nederland / nieuw asielmotief / geen verband met afgelegde asielrelaas

Bij aanvullend beroepschrift van 9 november 2007 heeft de vreemdeling een kopie van een doopcertificaat overgelegd en aangevoerd dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom in Nederland op 9 oktober 2007, bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De vreemdeling heeft aldus nieuwe asielmotieven aangevoerd, die geen verband houden met het in het kader van de aanvraag afgelegde asielrelaas. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 november 2007, in zaak nr. 200705487/1, JV 2008/39) heeft artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht noch artikel 83 van de Vw 2000 hierop betrekking. Beoordeling van die motieven en de dienaangaande overgelegde stukken kon dan ook niet in de onderhavige procedure plaatsvinden. De voorzieningenrechter heeft dit ten onrechte wel gedaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800351/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/33811 en 07/33812 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 7 januari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 januari 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in het hoger-beroepschrift als grief één, twee, drie en vijf is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.2. In de vierde grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bekering tot het christendom niet geloofwaardig is. Naar aanleiding hiervan overweegt de Afdeling ambtshalve het volgende.

2.2.1. Bij aanvullend beroepschrift van 9 november 2007 heeft de vreemdeling een kopie van een doopcertificaat overgelegd en aangevoerd dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom in Nederland op 9 oktober 2007, bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De vreemdeling heeft aldus nieuwe asielmotieven aangevoerd, die geen verband houden met het in het kader van de aanvraag afgelegde asielrelaas. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 november 2007, in zaak nr. 200705487/1, JV 2008/39) heeft artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht noch artikel 83 van de Vw 2000 hierop betrekking. Beoordeling van die motieven en de dienaangaande overgelegde stukken kon dan ook niet in de onderhavige procedure plaatsvinden. De voorzieningenrechter heeft dit ten onrechte wel gedaan. Nu echter de overige overwegingen de ongegrondverklaring van het beroep kunnen dragen, kan vernietiging van de aangevallen uitspraak achterwege blijven. Gelet hierop behoeft grief vier verder geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2008

284-572.

Verzonden: 26 mei 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak