Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200702450/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijkerk (hierna: de raad) bij besluit van 6 juli 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Flier, milieustraat, wijkpost en containerbedrijf" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702450/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], beiden wonend te [woonplaats] (Gld),

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats] (Gld), en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijkerk (hierna: de raad) bij besluit van 6 juli 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Flier, milieustraat, wijkpost en containerbedrijf" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2007, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2007, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft het beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2007. [appellant sub 2] heeft het beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2007.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2], de raad en [partij] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2008, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G. Bosma, advocaat te Utrecht, en [appellant sub 2], van wie [appellant sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door F.M. Wiedenhoff en H. Kasteel, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en vergezeld door [partij], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft als doel de realisering van een wijkpost en een milieustraat en de verplaatsing van een containerbedrijf afkomstig van een ander bedrijventerrein mogelijk te maken op een terrein dat aansluit op het toekomstige bedrijventerrein De Flier aan de zuidzijde van de kern Nijkerk. Het college heeft aan het plan goedkeuring verleend. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richten zich in beroep tegen de goedkeuring van het plan.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren als procedureel bezwaar aan dat het college en de raad niet dan wel onvoldoende op hun bedenkingen en zienswijzen zijn ingegaan, nu het college onder meer alleen het standpunt van de raad herhaalt. Verder is volgens [appellant sub 2] het bestreden besluit ten onrechte gebaseerd op een luchtkwaliteitrapport dat dateert van ná de vaststelling van het plan.

2.3.1. De raad heeft de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit laten onderzoeken en dit onderzoek aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag gelegd. Op verzoek van het college heeft de raad na de vaststelling van het plan een aanvullend onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit laten verrichten. Ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) is het in beginsel de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om bij de voorbereiding van een plan de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit te onderzoeken. Niettemin staat deze bepaling, noch enig andere, eraan in de weg dat de raad alsnog voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring van het plan stukken overlegt. Het college kon het aanvullend luchtkwaliteitrapport bij zijn besluitvorming betrekken.

[appellant sub 2] heeft in zijn naar voren gebrachte zienswijzen tegen het ontwerpplan zijn reactie met betrekking tot de inspraak herhaald en ingelast. De raad is in de plantoelichting ingegaan op deze bezwaren. In de Nota van zienswijzen is ingegaan op hetgeen door [appellant sub 2] verder naar voren is gebracht. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bezwaren of argumenten niet in de overwegingen van de raad zijn betrokken. In het bestreden besluit is het college ingegaan op de door [appellant sub 1] ingebrachte bedenkingen tegen het vastgestelde plan en op de bedenking van [appellant sub 2] over de noodzaak van het bedrijventerrein. Ook is in het bestreden besluit ingegaan op de door [appellant sub 2] ingebrachte bedenking over de verkeersaantrekkende werking en de ontsluiting van het bedrijventerrein, nu onder andere wordt verwezen naar het aanvullend luchtkwaliteitrapport waarin de verkeersbewegingen als gevolg van het plan zijn bepaald. Bij de beantwoording van de bedenkingen volgt het college onder meer het standpunt van de raad. Uit de bewoordingen kan daarenboven worden opgemaakt dat het college een eigen beoordeling heeft gemaakt. In zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.4. De gronden in het plangebied zijn bestemd als "Verkeersgebied", "Bedrijven" en "Groenvoorzieningen". In het noordelijke deel van het plangebied is de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein voorzien. De gronden met de bestemming "Bedrijven" worden omringd door gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen" met een breedte van 5 meter. Het grootste deel van de gronden is bestemd als "Bedrijven" en voorzien van de aanduidingen "categoriescheidingslijn" en "milieucategoriescheidingslijn" met binnen deze lijnen de aanduidingen "4a", "4b" alsmede "4a" en "Co". In artikel 3.1, aanhef en sub a en sub b, van de planvoorschriften is bepaald dat de gronden aangewezen voor Bedrijven zijn bestemd voor bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 4a en 1 tot en met 4b van de staat van bedrijfsactiviteiten en een containerbedrijf, daar waar deze categorieën en dit bedrijfstype zijn aangewezen op de plankaart.

2.5. [appellant sub 2] voert aan dat er geen behoefte is aan een nieuw bedrijventerrein met de daarop voorziene bedrijvigheid. [appellant sub 2] stelt dat ten onrechte een nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd in plaats van het herstructureren of het uitbreiden van bestaande bedrijventerreinen. Volgens [appellant sub 2] bieden de bestaande bedrijventerreinen voldoende ruimte voor bedrijvigheid. [appellant sub 2] stelt voorts dat onvoldoende alternatieve locaties zijn bezien en onderzocht. [appellant sub 2] voert aan dat het nieuwe bedrijventerrein ten onrechte is voorzien buiten het rode raamwerk, buiten de zoekzones voor werken en buiten bestaand bebouwd gebied. Volgens [appellant sub 2] is het bedrijventerrein in strijd met de Nota Ruimte, het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het Streekplan 2005), de Nota bedrijventerreinen 2002-2006 "Van trekkracht naar Slagkracht" (hierna: de Nota bedrijventerreinen), het Structuurplan Nijkerk-Nijkerkerveen 2001 (hierna: het structuurplan) en de Integrale Ontwikkelingsvisie Nijkerk 2015-2030 (hierna: de IOV).

2.5.1. Wat het locatieonderzoek betreft, wordt het volgende overwogen. In paragraaf 2.3 van de plantoelichting staat dat aan de huidige locatie van het bedrijventerrein een aantal onderzoeken en overwegingen ten grondslag ligt. In de plantoelichting staat dat twee andere locaties zijn onderzocht in verband met de vestiging van het bedrijventerrein, maar dat deze locaties ongeschikt zijn vanwege de beperkte fysieke ruimte voor bedrijfsactiviteiten. Op bladzijde 15 van de plantoelichting is vermeld dat de (beperkte) beschikbare gronden op bestaande bedrijventerreinen en ook de te herstructureren bedrijventerreinen niet geschikt zijn voor de vestiging van deze bedrijven. Nu twee andere locaties en de ruimte op de bestaande bedrijventerreinen zijn bezien, bestaat geen grond voor het oordeel dat het locatieonderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het plan ontoereikend is.

2.5.2. In de Nota Ruimte is als uitgangspunt vermeld dat nieuwe bebouwing voor verstedelijking dient aan te sluiten op bestaande ruimtelijke structuren, waaronder het watersysteem.

Op bladzijde 7 van de plantoelichting staat dat het plangebied grenst aan het toekomstige bedrijventerrein De Flier zoals dat in het structuurplan is voorzien en aan de rand van de bebouwing van Nijkerk zal komen te liggen. In het deskundigenbericht staat dat het plangebied zal aansluiten op de in aanbouw zijnde Structuurweg, die de A28 met de Amersfoortseweg zal verbinden, en op de uitbreiding van de kern Nijkerk die direct ten noorden van de Structuurweg in ontwikkeling en deels al in aanbouw is. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in overeenstemming is met de Nota Ruimte.

2.5.3. Met betrekking tot de Nota Bedrijventerreinen wordt overwogen dat deze nota een uitwerking van het Streekplan uit 1996 behelst. In het Streekplan 2005 is bepaald dat de op basis van het streekplan uit 1996 opgestelde uitwerkingen zijn vervallen. Het in deze uitwerkingen neergelegde beleid is in hoofdlijnen, al dan niet geactualiseerd, opgenomen in het Streekplan 2005. Hieruit volgt dat de Nota bedrijventerreinen in dit geval geen betekenis meer toekomt.

In het Streekplan 2005 is op de Beleidskaart ruimtelijke structuur Nijkerk aangemerkt als een "regionaal centrum (bebouwd gebied 2000)", onderdeel van het op deze kaart aangewezen rode raamwerk. Hierop is het plangebied aangemerkt als "multifunctioneel platteland", onderdeel van het op deze kaart aangewezen multifunctioneel gebied.

In paragraaf 2.1.4 van het Streekplan 2005 is het provinciaal beleid voor werken neergelegd. In deze paragraaf staat dat het beleid voor bedrijventerreinen is gericht op de zorg voor voldoende aanbod van op de vraag van het bedrijfsleven afgestemde bedrijventerreinen. De noodzaak tot uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen of de ontwikkeling van nieuwe moet worden bezien in relatie tot de mate waarin met inbreiding en/of herstructurering van bestaande bedrijventerreinen ruimte voor bedrijvigheid kan worden gevonden.

De uiteindelijke invulling van het Streekplan 2005 op dit punt wordt neergelegd bij de zogenoemde WGR-regio's. Deze intergemeentelijke samenwerkingsverbanden dienen de benodigde uitbreidingsruimte buiten bestaand bebouwd gebied met begeleiding van de provincie uit te werken in zogenoemde "zoekzones voor stedelijke functies". Gemeentelijke visies voor wonen en werken kunnen hiervoor mede als basis dienen. De regionale uitwerkingen van zoekzones voor stedelijke functies worden als uitwerkingen van dit streekplan vastgesteld. Tot het moment van vaststelling van de zoekzones als streekplanuitwerking moeten afzonderlijke gemeenten beschikken over locatievisies waaruit de noodzaak blijkt om in de vorm van uitbreiding het programma voor wonen en/of werken te realiseren. Volgens het Streekplan 2005 is dit het overgangsbeleid tussen het inbreidingsregime van het Streekplan 1996 en het zoekzone-beleid in dit streekplan.

Het vorenstaande wordt in het Streekplan 2005 gekwalificeerd als richtinggevende beleidsuitspraken waar bestemmingsplannen aan worden getoetst. Wanneer zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen deze richtinggevende beleidsuitspraken kan het college overwegen een afwijkingsprocedure te volgen.

2.5.3.1. Het college heeft op 12 december 2006 de streekplanuitwerking "Zoekzones stedelijke functies en landschappelijke versterking" vastgesteld. Op de kaart behorende bij deze streekplanuitwerking is het plangebied als zoekzone werken opgenomen. Deze streekplanuitwerking is echter op 18 april 2007, derhalve na de goedkeuring van het plan, in werking getreden. Gelet hierop was het overgangsbeleid voor de zoekzones in het Streekplan 2005 ten tijde van de goedkeuring van het plan van toepassing. De raad diende volgens dit overgangsbeleid te beschikken over een locatievisie waaruit de noodzaak blijkt om in de vorm van uitbreiding het programma voor wonen en/of werken te realiseren. Ter zitting is gebleken dat de raad geen locatievisie heeft opgesteld. In zoverre is het plan niet in overeenstemming met het Streekplan 2005. Het college heeft niet aangegeven dat gebruik is gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid en heeft niet gemotiveerd of van het overgangsbeleid in dit geval kan worden afgeweken. Onder deze omstandigheden en nu het college in het bestreden besluit het plan heeft getoetst aan de streekplanuitwerking die ten tijde van het bestreden besluit nog niet in werking was getreden, is niet deugdelijk gemotiveerd waarom een stedelijke uitbreiding noodzakelijk is en de gekozen locatie in overeenstemming is met het Streekplan 2005.

2.5.4. In het structuurplan, dat door de raad op 20 december 2001 is vastgesteld, is vermeld dat ten zuiden van Nijkerk bedrijventerreinen zijn voorzien. Op de kaart behorende bij het structuurplan is het gebied ten zuiden van de toekomstige Structuurweg, die een verbinding zal vormen tussen de A28 en de Amersfoortseweg, aangeduid als bedrijventerrein. Het plangebied is op deze kaart niet als bedrijventerrein aangewezen.

Overwogen wordt dat van het beleid in het structuurplan gemotiveerd kan worden afgeweken. In het structuurplan als zodanig staat dat de kaart niet als star gegeven moet worden beschouwd en bijstellingen noodzakelijk zullen zijn. De raad heeft als motivering voor de afwijking van het structuurplan gegeven dat de ontwikkeling van het plangebied past in de doelstelling van het structuurplan om bedrijventerreinen ten zuiden van de Structuurweg te realiseren. Het college heeft in redelijkheid met deze motivering kunnen instemmen.

2.5.5. Op de kaart behorende bij de IOV waarop de bedrijvigheid tot 2015 is aangegeven, is het plangebied aangeduid als bedrijventerrein. Op bladzijde 41 van de IOV is vermeld dat Nijkerk tot 2015 beschikt over een capaciteit van 15-20 hectare bedrijventerrein, waaronder op De Flier. Op deze bladzijde staat verder dat Nijkerk tot 2020 aanvullend wil beschikken over 25 hectare bedrijventerrein. Volgens de IOV wordt ingezet op het ontwikkelen van een nieuwe hoogwaardige locatie in de zone langs de A28, ter vervanging van De Flier.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de woorden "ter vervanging van De Flier" in de IOV zo moeten worden uitgelegd dat niet is beoogd om het bedrijventerrein De Flier maar een andere locatie te ontwikkelen, kan dit betoog niet worden gevolgd. Ter zitting heeft de raad gesteld dat met deze woorden is bedoeld dat aanvullend op of naast het bedrijventerrein De Flier een nieuwe hoogwaardige locatie zal worden ontwikkeld. Er bestaat geen aanleiding om deze uitleg niet te volgen. Nu het plangebied is aangeduid op de kaart behorende bij het IOV heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming is met de IOV.

2.6. [appellant sub 2] voert aan dat de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en de kwaliteit van de bodem ter plaatse ten onrechte niet zijn onderzocht en dat met daaruit voortvloeiende gevolgen geen rekening is gehouden bij de belangenafweging.

2.6.1. Met betrekking tot de waterhuishouding wordt het volgende overwogen. Ter zitting heeft de raad gesteld dat een gemeentelijk waterplan geldt. Op de knelpuntenkaart behorende bij het waterplan van Nijkerk is het plangebied niet aangeduid als een gebied waar verdroging of wateroverlast optreedt. Op bladzijde 6 van de plantoelichting staat dat in het plangebied de oppervlakte zal worden verhard en als uitgangspunt geldt dat het gebiedseigen water wordt vastgehouden. Ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften zijn de gronden aangewezen voor Groenvoorzieningen ook bestemd voor waterpartijen, infiltratievoorzieningen en retentievoorzieningen. Ingevolge artikel 5 zijn de voor Verkeersgebied aangewezen gronden mede bestemd voor bermsloten. In het deskundigenbericht staat dat de planvoorschriften, gezien de omvang van het plangebied en de kenmerken van de omgeving, voorzien in de mogelijkheid om een toereikend watersysteem aan te leggen. Voorts staat in het deskundigenbericht dat een stijging van het grondwaterpeil ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] niet is te verwachten. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan deze conclusies in het deskundigenbericht te twijfelen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de planvoorschriften negatieve gevolgen voor de waterhuishouding kunnen worden voorkomen dan wel voldoende kunnen worden beperkt.

Wat de kwaliteit van de bodem betreft, wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Bro 1985, dient het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied van de gemeente onderzoek te doen naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Ingevolge het tweede lid van dit artikel heeft dit onderzoek bij de planvoorbereiding van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan. In paragraaf 3.8 van de plantoelichting is vermeld dat uit onderzoek blijkt dat het plangebied geen verdachte locatie is met betrekking tot bodemverontreiniging. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bevinding onjuist is. Het college heeft voor deze gronden in redelijkheid geen of in elk geval niet zodanige bodemverontreiniging behoeven te vermoeden dat de verwezenlijking van het plan hierom niet mogelijk is.

2.7. [appellant sub 1] voert aan dat onvoldoende is onderzocht wat het effect van de groenvoorzieningen is. [appellant sub 1] stelt dat onvoldoende duidelijk is wat de aard, omvang, opzet en structuur van de groenvoorzieningen zullen zijn en de aanleg en het onderhoud van de groenstrook in het plan ten onrechte niet zijn verzekerd.

2.7.1. In de plantoelichting staat dat groenvoorzieningen mogelijk zijn gemaakt met het oog op afscherming van de gronden die zijn bestemd voor bedrijven. Hiermee is voldoende duidelijk wat de aard en het effect van de groenvoorzieningen zullen zijn. Voor zover de bezwaren van [appellant sub 1] zien op de opzet, structuur, omvang, aanleg en het onderhoud van de groenvoorzieningen, wordt overwogen dat dit een uitvoeringskwestie betreft die in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen. Daarbij wordt overwogen dat een bestemmingsplan het gebruik van gronden voor bepaalde bestemmingen mogelijk maakt, maar niet kan voorzien in een verplichting tot dit gebruik.

2.8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast door de komst van het bedrijventerrein, waaronder een containerbedrijf. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat het plan niet in overeenstemming is met de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2001 van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Zij stellen onder meer dat de geluidbelasting van een containerbedrijf ten onrechte gelijk is gesteld met die van een bedrijf in milieucategorie 4. Volgens hen wordt ten onrechte afgeweken van de aanbevolen afstanden in de VNG-brochure en is ten onrechte voor geluid een correctie op deze afstanden toegepast, nu de omgeving niet kan worden aangemerkt als een drukke woonwijk.

2.8.1. De woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] staan aan de Fliersteeg, de Hoekersteeg en de Amersfoortseweg. De woningen staan op afstanden van 154 meter of meer van de gronden waarop bedrijven in milieucategorie 4a en ook het containerbedrijf zijn toegestaan. De afstanden tussen deze woningen en de gronden waarop zich bedrijven in milieucategorie 4b mogen vestigen, zijn ten minste 219 meter. Volgens de plantoelichting gelden voor bedrijven in de milieucategorieën 3a tot en met 4b onderscheidenlijk afstanden van 50, 100, 200 en 300 meter.

2.8.2. Ter zitting heeft de raad gesteld dat met het plan onder meer is beoogd om de verplaatsing van een specifiek containerbedrijf mogelijk te maken en de planregeling hierop af te stemmen.

De gronden waarop het containerbedrijf is voorzien zijn bestemd voor bedrijven tot en met milieucategorie 4a, alsmede voor een containerbedrijf.

In de plantoelichting staat dat een containerbedrijf valt binnen een hogere milieucategorie dan ingevolge het plan is toegestaan. Volgens de plantoelichting neemt het te verplaatsen containerbedrijf milieumaatregelen om de milieubelasting te beperken en zal het een aantal activiteiten niet verrichten. Hierom kan de milieubelasting van het containerbedrijf worden gelijkgesteld met een bedrijf uit milieucategorie 4a. De raad stelt zich op het standpunt dat het containerbedrijf om deze redenen ter plaatse kan worden toegestaan. In de planvoorschriften ontbreekt echter een begripsomschrijving van containerbedrijf en de daarmede toegestane activiteiten. Ook is in de planvoorschriften niet bepaald dat een containerbedrijf is toegestaan dat naar aard, hinder en omvang gelijk kan worden gesteld met een bedrijf in milieucategorie 4a. Onder deze omstandigheden maakt het plan bij recht de vestiging van een containerbedrijf mogelijk dat activiteiten kan verrichten die naar aard, hinder en omvang in een hogere milieucategorie thuis horen.

[partij] heeft verder ter zitting gesteld, wat door de raad niet is weersproken, dat de bedrijfsmatige activiteiten van het containerbedrijf voor een klein gedeelte in milieucategorie 4 en voor het overige in milieucategorie 3 vallen. Nu de raad heeft beoogd om in het plan niet meer mogelijk te maken dan nodig is voor het te verplaatsen containerbedrijf is niet duidelijk of alle gronden in het deel van het plangebied waar het containerbedrijf zich mag vestigen als milieucategorie 4a dient te worden bestemd. Daarbij komt dat de woningen aan de Hoekersteeg op kortere afstand dan de aanbevolen, en door de raad aangehouden, afstand van 200 meter staan van de gronden waarop activiteiten in milieucategorie 4a zijn toegestaan. In zoverre wordt niet voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden, die de raad als uitgangspunt heeft gehanteerd.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit tot vaststelling van het plan in zoverre niet met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid. Het college heeft dit miskend.

2.8.3. Verder heeft de raad ter zitting gesteld dat de in het plan toegestane milieucategorieën voor de overige gronden op het bedrijventerrein zijn toegesneden op de vestiging van een wijkpost en een milieustraat.

Op bladzijde 10 van de plantoelichting staat dat de milieustraat en de wijkpost behoren tot de gemeentewerf. Volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij het plan en het gestelde op bladzijde 10 van de plantoelichting wordt een gemeentewerf aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 3a met een, volgens de VNG-brochure en de plantoelichting, aan te houden afstand van 50 meter tot gevoelige objecten. De woningen aan de Hoekersteeg, Fliersteeg en de Amersfoortseweg staan op grotere afstanden. In het plan zijn de gronden evenwel bestemd voor bedrijven tot en met milieucategorie 4a en tot en met milieucategorie 4b. Het plan maakt derhalve de vestiging van bedrijven in een hogere milieucategorie mogelijk dan de raad met het plan heeft beoogd. Daarbij komt dat de woningen aan de Hoekersteeg en de Amersfoortseweg op kortere afstand dan de aanbevolen, en door de raad aangehouden, afstand van 200 respectievelijk 300 meter staan van de gronden waarop de activiteiten in milieucategorie 4a en 4b zijn toegestaan.

De planregeling voor de gronden met de bestemming "Bedrijven" is derhalve niet in overeenstemming met hetgeen door de raad met het plan is beoogd. Het besluit tot vaststelling van het plan is in zoverre niet met de bij een besluit te betrachten zorgvuldigheid voorbereid. Het college heeft dit miskend.

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte in artikel 3.4 van de planvoorschriften een vrijstellingsbepaling voor de vestiging van bedrijven in een hogere milieucategorie is opgenomen. Verder leidt volgens hem de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.5 van de planvoorschriften tot een verslechtering van het planologische regime.

2.9.1. Ingevolge artikel 3.4 van de planvoorschriften, kort weergegeven en voor zover van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om vrijstelling te verlenen van het bepaalde onder artikel 3.1, sub a, voor een bedrijf in een hogere categorie, mits de activiteiten wat aard, omvang en hinder betreft, op de gewenste locatie toelaatbaar zijn en geen grotere en/of onevenredige afbreuk aan het woon- en leefklimaat wordt gedaan.

Ingevolge artikel 3.5 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen door het verwijderen van de aanduidingen "Co" en "categoriescheidingslijn" op de plankaart, indien de bedrijfsactiviteiten van het aangeduide bedrijfstype zijn beëindigd.

2.9.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen met inachtneming van de in het plan vervatte regelen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een vrijstellingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening berustende vrijstellingsbevoegdheid dient door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

Volgens de plantoelichting is met de vrijstellingsbepaling niet beoogd een planologisch nadeligere situatie te verwezenlijken. In artikel 3.4 van de planvoorschriften zijn als voorwaarden genoemd dat de activiteiten toelaatbaar moeten zijn en geen grotere en/of onevenredige afbreuk aan het woon- en leefklimaat moeten veroorzaken. Onduidelijk is wanneer activiteiten wat aard, omvang en hinder betreft, toelaatbaar zullen zijn. In dat verband wordt overwogen dat het woord "toelaatbaar" te vaag is en niet duidelijk is welke criteria bij de beoordeling van de toelaatbaarheid worden aangehouden, zodat op voorhand onvoldoende uitsluitsel wordt geboden over de met de vrijstellingsbepaling toegestane activiteiten. Voorts is ten aanzien van het woon- en leefklimaat onzeker of de afbreuk niet onevenredig mag zijn, maar wel groter of dat de afbreuk niet onevenredig en groter mag zijn. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat met toepassing van de vrijstellingsbepaling meer hinder door activiteiten kan worden toegelaten. De vrijstellingsbepaling in artikel 3.4 van de planvoorschriften is in zoverre onvoldoende objectief begrensd en op dit punt in strijd met artikel 15 van de WRO. Het college heeft dit miskend.

2.9.3. De toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.5 van de planvoorschriften brengt met zich dat een containerbedrijf niet meer zou zijn toegestaan. Nu volgens de toelichting een containerbedrijf in een hogere milieucategorie valt dan ingevolge het plan is toegestaan, geeft hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.5 van de planvoorschriften geen verslechtering van het planologische regime zal optreden.

2.10. [appellant sub 2] stelt dat de financiële uitvoerbaarheid onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. [appellant sub 2] voert aan dat de verplaatsing van het containerbedrijf ten onrechte door de gemeente wordt gefinancierd en de financiële bijdrage als een steunmaatregel kan worden aangemerkt.

2.10.1. Er is onderzoek gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De uitkomsten hiervan zijn neergelegd in een exploitatieopzet. Voor zover [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat de exploitatieopzet niet ter inzage is gelegd, blijkt uit de reactie op de inspraak ten aanzien van het voorontwerp van het plan dat de exploitatieopzet als bijlage aan het plan is toegevoegd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de exploitatieopzet tijdens de ter inzage legging van het ontwerpplan en het vastgestelde plan ontbrak. In de exploitatieopzet zijn de opbrengsten en kosten voor het opstellen van het plan en de uitvoering van het plan genoemd. De exploitatieopzet geeft voldoende inzicht in de uitkomsten van het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid en de wijze waarop de gemeente het plan beoogt te financieren. In de exploitatieopzet zijn geen verplaatsingskosten van het containerbedrijf geraamd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente een financiële bijdrage zal leveren aan de verplaatsing van het containerbedrijf. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

2.11. Uit overweging 2.5.3.1. volgt dat hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Voorts volgt uit de overwegingen 2.8.2, 2.8.3 en 2.9.2 dat hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijven" is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en dat artikel 3.4 van de planvoorschriften in strijd is met artikel 15 van de WRO. Door dit plandeel en planvoorschrift goed te keuren heeft het college tevens gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 15 van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met voornoemde artikelen.

Uit het voorgaande volgt dat ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Bedrijven" slechts één te nemen besluit rechtens mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Gezien de samenhang van dit plandeel met de overige plandelen, ziet de Afdeling voorts aanleiding aan het gehele plan goedkeuring te onthouden.

De overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] behoeven in verband hiermee geen bespreking.

2.12. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college gedeputeerde staten van Gelderland van 27 februari 2007, kenmerk 2006-015935;

III. onthoudt goedkeuring aan het plan;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 februari 2007;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1172,38 (zegge: elfhonderdtweeënzeventig euro en achtendertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 2] en [appellant sub 1] het door ieder van hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Verbeek

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008

372.