Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200706488/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) het op 20 juli 2006 door het algemeen bestuur van het waterschap Groot Salland (hierna: het waterschap) vastgestelde waterbeheersplan 2006-2009 (hierna: het waterbeheersplan) goedgekeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 236 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706488/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats], en [appellant C], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 juli 2007 in zaak nr. 07/121 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] en [appellant C]

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) het op 20 juli 2006 door het algemeen bestuur van het waterschap Groot Salland (hierna: het waterschap) vastgestelde waterbeheersplan 2006-2009 (hierna: het waterbeheersplan) goedgekeurd.

Bij uitspraak van 31 juli 2007, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellant A] en [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellanten]) daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het waterschap een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2008, waar [appellanten], van wie [appellant A] en [appellant C] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.E.M. Broshuis en mr. M. van Wensen, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar het waterschap, vertegenwoordigd door mr. M. Beekman, ambtenaar in dienst van het waterschap, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding (hierna: de WWH) stelt een kwantiteitsbeheerder of kwaliteitsbeheerder, niet zijnde het Rijk, met betrekking tot oppervlaktewateren onder zijn beheer een beheersplan vast. Bij die vaststelling wordt rekening gehouden met het provinciaal plan voor de waterhuishouding.

Ingevolge het tweede lid geeft een beheersplan aan hetgeen de beheerder ter vervulling van zijn taak verricht.

Ingevolge het derde lid, ten tijde van belang, behoeft een niet door het provinciaal bestuur vastgesteld beheersplan de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten.

Ingevolge artikel 149 van de Waterschapswet kan goedkeuring slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of in het algemeen belang.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college wegens strijd met het recht of het algemeen belang goedkeuring aan het waterbeheersplan had behoren te onthouden. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het waterbeheersplan een onderdeel watervisie bevat dat niet was opgenomen in het ontwerpplan en het college, gelet op deze ingrijpende wijziging, goedkeuring aan dit plan had behoren te onthouden. Voorts stellen zij te vrezen dat, samengevat weergegeven, het waterbeheersplan, en met name de hierin opgenomen wijzigingen ten aanzien van de watergangen, voor hen als eigenaren van landbouwgronden in het gebied waarvoor dit plan geldt nadelige gevolgen zal hebben.

2.2.1. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWH geeft het beheersplan aan hetgeen het waterschap ter vervulling van zijn taak verricht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2004 in zaak nr. 200303992/1), behelst een waterbeheersplan de vastlegging van beheershandelingen en de daarbij te volgen beleidslijnen. Het plan zal vooral de functie vervullen van instructienorm voor de beheerder zelf, maar het zal tevens aan belanghebbenden inzicht bieden in hetgeen zij mogen verwachten van het te voeren beheer. Dat in het waterbeheersplan niet is weergegeven wat de gevolgen hiervan voor [appellanten] concreet zullen zijn, vloeit voort uit de omstandigheid dat de uitwerking van het in het waterbeheersplan uiteengezette beleid nog nadere invulling behoeft. Voor zover voor die nadere invulling besluiten zijn vereist als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan daartegen op de in de toepasselijke wetgeving voorziene wijze worden opgekomen.

Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat met het opnemen van het onderdeel watervisie in het waterbeheersplan geen sprake is van de door [appellanten] gestelde ingrijpende wijziging, aangezien de watervisie is te herleiden tot verschillende onderdelen van het ontwerpplan.

Ook hetgeen [appellanten] voor het overige hebben aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college wegens strijd met het recht of het algemeen belang goedkeuring aan het waterbeheersplan had behoren te onthouden.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008

85-506.