Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3105

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200705249/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2007 is het door [appellanten] bij de stichting Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland (hierna: de stichting) gemaakte bezwaar tegen een op 21 november 2006 verzonden brief, door hen aangemerkt als een indicatiebesluit, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705249/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2007 in zaak

nr. 151579 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de stichting Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2007 is het door [appellanten] bij de stichting Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland (hierna: de stichting) gemaakte bezwaar tegen een op 21 november 2006 verzonden brief, door hen aangemerkt als een indicatiebesluit, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 9 januari 2007 is het door [appellanten] tegen het indicatiebesluit van 30 november 2006 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 16 januari 2007 hebben [appellanten] beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Bij besluiten van 28 maart 2007 heeft de stichting de besluiten van 3 januari 2007 en 9 januari 2007 ingetrokken en op gelijke wijze beslist als bij laatstgenoemde besluiten.

Bij uitspraak van 21 juni 2007, verzonden op 12 juli 2007, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de beroepen tegen de besluiten van 3 en 9 januari 2007 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 28 maart 2007 met betrekking tot het indicatiebesluit van 30 november 2006 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 augustus 2007.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2008, waar [appellanten], bijgestaan door J. Hop, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Schepens en mr. A. Wasser, beiden in dienst van de stichting, waarvan eerstgenoemde tevens advocaat is, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover thans van belang, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het gerechtshof.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg (hierna: de Wjz), voor zover thans van belang, heeft de stichting als doel het in stand houden van een bureau jeugdzorg dat de in deze wet aan de stichting opgedragen taken vervult.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft de stichting tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, behoort tot de taak, bedoeld in het eerste lid, het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, geeft de stichting bij het nemen van een besluit, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, in ieder geval:

a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;

b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;

c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen;

d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;

e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.

2.2. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of zij bevoegd is kennis te nemen van het door [appellanten] ingestelde hoger beroep.

2.2.1. Met betrekking tot de dochter van [appellanten] is op 21 november en/of op 30 november 2006 een indicatiebesluit genomen, welk besluit is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, onder a, van de Wjz.

2.2.2. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) van 29 april 2008 in zaak nr. 07/5227 (www.rechtspraak.nl, LJN: BD1113) die inhoudt dat dit college bevoegd is kennis te nemen van hoger beroepen tegen uitspraken inzake (indicatie)besluiten die hun grondslag vinden in de Wjz, moet de Afdeling zich onbevoegd verklaren van het door [appellanten] ingestelde hoger beroep kennis te nemen. Dat heeft immers betrekking op het oordeel van de rechtbank over het niet-ontvankelijk verklaren van het door hen gemaakte bezwaar tegen het indicatiebesluit van 30 november 2006, op daarmee verband houdende aspecten en op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het op 21 november 2006 toegezonden stuk over de indicatie van de dochter van [appellanten] en de vraag of dit al dan niet een conceptbesluit is.

De Afdeling zal het hoger-beroepschrift en de daarbij behorende stukken dan ook met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorzenden aan de CRvB.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. In dit verband wijst de Afdeling nog op haar tussen partijen gewezen uitspraak van heden in zaak nr. 200705254/1, waarin is overwogen dat J. Hop niet kan worden aangemerkt als een beroepsmatige verlener van rechtsbijstand.

2.4. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding te gelasten dat het voor de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling door [appellanten] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Kallan

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008

18-506.