Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200703686/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de raad van de gemeente Beek (hierna: de raad) het verzoek van [appellanten] om het toekennen van een planschadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/2298
JOM 2008/576
OGR-Updates.nl 1001638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703686/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/1639 van de rechtbank Maastricht van 20 april 2007 in het geding tussen:

[appellanten],

en

de raad van de gemeente Beek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de raad van de gemeente Beek (hierna: de raad) het verzoek van [appellanten] om het toekennen van een planschadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de raad het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 april 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2007, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2008, waar [appellanten],vertegenwoordigd door mr. Ph.W.A.M. van Roy, advocaat te Beek, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.H.A.S. Gidding, werkzaam bij de gemeente Beek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellanten] stellen dat de waarde van hun percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] is verminderd als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Kern Beek" (hierna: het bestemmingsplan) en hebben de raad verzocht om vergoeding van deze schade.

De raad heeft zijn in bezwaar gehandhaafde besluit tot afwijzing van dit verzoek gebaseerd op een advies van ODPlus BV (hierna: ODPlus), waarin is geconcludeerd dat geen planologisch nadeel is geleden.

Van de zijde van [appellanten] is een rapport uitgebracht door Jonk Taxatie b.v. (hierna: Jonk) waarin is geconcludeerd dat planologisch nadeel is geleden als gevolg van een in het bestemmingsplan vervatte zogenoemde uitsterfclausule, leidend tot een schade van € 102.380,00.

2.3. Aan de gronden aan de [locatie 1] en [locatie 2] is in het bestemmingsplan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding 'B3' toegekend. Ingevolge artikel 10 van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, zijn deze gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden voorkomend in de milieucategorieën 1, 2 en 3 van de als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat indien bedrijfsdoeleinden voorkomend in milieucategorie 3 gedurende een aaneengesloten periode van 3 jaren ter plaatse niet zijn uitgeoefend, deze niet meer zijn toegestaan.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de raad niet gehouden was naar aanleiding van het rapport van Jonk een derde onderzoek te laten verrichten, nu in het rapport van Jonk geen planologische vergelijking is gemaakt. Voorts heeft zij overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de zogenoemde uitsterfclausule in artikel 10 van de voorschriften van het bestemmingsplan niet tot planologisch nadeel leidt.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen, nu in het rapport van Jonk een planologische vergelijking is gemaakt waaruit volgt dat de uitsterfclausule wel tot planologisch nadeel leidt.

2.5.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in het rapport van Jonk geen planologische vergelijking is gemaakt. In dit rapport is echter wel nadrukkelijk gewezen op de gevolgen van de zogenoemde uitsterfclausule voor de verkoopbaarheid van het perceel. Uit het advies van ODPlus volgt dat op de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] op basis van de voorgaande planologische regimes bedrijvigheid mocht worden gevestigd waarbij geen verdere gebruiksbeperkingen werden gesteld. Gelet hierop leidt het bestemmingsplan tot een planologische verslechtering door, in de vorm van een uitsterfclausule voor bedrijven uit milieucategorie 3, beperkingen te stellen aan het gebruik van de gronden voor bedrijfsdoeleinden. In het advies van ODPlus noch in het besluit op bezwaar is de stelling in het rapport van Jonk dat de uitsterfclausule leidt tot waardevermindering, gemotiveerd weersproken. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat op voorhand niet vast staat dat de uitsterfclausule geen negatieve invloed heeft op de verkoopbaarheid en daarmee op de waarde van de percelen.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de raad van 7 juli 2005 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 april 2007 in zaak nr. 05/1639;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van 7 juli 2005;

V. veroordeelt de raad tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Beek aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Beek aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Rop

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008

417.