Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200708017/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: minister) de aan [appellant] voor het vissersvaartuig [...] verleende garnalenvergunning voor een periode van twee weken geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708017/1.

Datum uitspraak: 4 juni 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Moddergat, gemeente Dongeradeel,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2017 van de rechtbank Leeuwarden van 3 oktober 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: minister) de aan [appellant] voor het vissersvaartuig [...] verleende garnalenvergunning voor een periode van twee weken geschorst.

Bij besluit van 12 juli 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2007, verzonden op 5 oktober 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W. Frankema, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Visserijwet 1963 wordt voor het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder "zeevisserij": het vissen in zee, met inbegrip van het vissen in de visserijzone en in daaraangrenzende, bij algemene maatregel van bestuur als zeegebied aangewezen wateren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, kunnen in het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit. Bij het stellen van zodanige regelen kan mede rekening worden gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 is de minister bevoegd in het belang van de visserij regelen te stellen ter verzekering van de instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, kunnen de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde regelen betrekking hebben op het vissen in bepaalde tijdvakken en op het voorhanden hebben van bepaalde vistuigen in bepaalde wateren.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren (hierna: de Beschikking) is het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen (Crangon crangon) in de visserijzone, het zeegebied en de kustwateren met uitzondering van de Westerschelde verboden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, voor zover thans van belang, geldt het in artikel 7, eerste lid, gestelde verbod niet voor degene, die voorzien is van een vergunning van de minister.

Ingevolge het derde lid is het in afwijking van het eerste lid verboden om van vrijdag 12.00 uur tot de daaropvolgende zondag 24.00 uur buiten de haven te zijn met een vaartuig dat enig vistuig aan boord heeft geschikt voor het vangen van garnalen (Crangon crangon).

Ingevolge het vijfde lid is het in afwijking van het derde lid in een aaneengesloten periode van 26 weken, die aanvangt op de eerste zondag in oktober om 24.00 uur, toegestaan om buiten de Nederlandse wateren tijdens opeenvolgende tijdvakken van twee weken telkens acht etmalen te vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen (Crangon crangon). Het eerste tijdvak begint op de eerste zondag in oktober om 24.00 uur en loopt twee weken later op zondag om 24.00 uur af.

Ingevolge het negende lid, voor zover thans van belang, kan de minister de vergunning, bedoeld in het zesde lid voor een periode van twee weken schorsen, indien naar het oordeel van de minister met het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is toegekend is gehandeld in strijd met het derde of vijfde lid.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 april 2006 heeft de minister ten grondslag gelegd dat het vissersvaartuig [...], volgens het logboek- tevens vangstopgaveformulier nr. […], op zondag 29 januari 2006 om 10:30 uur vanuit de haven van Lauwersoog is vertrokken voor een visreis, die op donderdag 2 februari 2006 om 19:30 uur eveneens in de haven van Lauwersoog is geëindigd. Tijdens deze visreis bevonden zich netten aan boord die geschikt waren voor het vangen van garnalen. Op grond van deze informatie heeft de minister geconcludeerd dat sprake was van een overtreding van artikel 11, derde lid, van de Beschikking.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aan de in artikel 11, vijfde lid, van de Beschikking opgenomen voorwaarden heeft voldaan.

2.3.1. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Beschikking is het verboden om van vrijdag 12.00 uur tot de daaropvolgende zondag 24.00 uur buiten de haven te zijn met een vaartuig dat enig vistuig aan boord heeft geschikt voor het vangen van garnalen. Vaststaat dat [appellant] zich op zondag 29 januari 2006 om 10:30 uur buiten de haven bevond met een vaartuig dat enig vistuig aan boord had geschikt voor het vangen van garnalen, zodat sprake was van een overtreding artikel 11, derde lid, van de Beschikking.

2.3.2. In afwijking van het verbod neergelegd in artikel 11, derde lid, van de Beschikking is het ingevolge het vijfde lid toegestaan om buiten de Nederlandse wateren tijdens opeenvolgende tijdvakken van twee weken telkens acht etmalen op garnalen te vissen. De stelling van [appellant] dat hij aan de voorwaarden van artikel 11, vijfde lid, van de Beschikking heeft voldaan, berust op een onjuiste lezing van dit artikellid. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de uitzondering op het weekendverbod in dit geval niet van toepassing was, omdat het vissersvaartuig van [appellant] zich binnen de periode dat het weekendverbod van kracht was niet buiten maar binnen Nederlandse wateren bevond, zodat de minister bevoegd was om de garnalenvergunning te schorsen. De omstandigheid dat [appellant], naar hij stelt, niet in het weekend in Nederlandse wateren heeft gevist, leidt niet tot het oordeel dat het weekendverbod niet is overtreden, nu artikel 11, derde lid, van de Beschikking uitdrukkelijk verbiedt om in het weekend buiten de haven zijn.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, nu hij is afgegaan op de mededeling van een medewerker van de Algemene Inspectiedienst (hierna: de AID), inhoudende dat hij op 29 januari 2006 mocht uitvaren. In dit verband bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat omdat de AID slechts een controlerende taak heeft en niet kan worden beschouwd als de beslissingsbevoegde instantie in het kader van de Beschikking, hij aan de mededelingen van een medewerker hiervan geen rechtens te honoreren vertrouwen kon ontlenen.

2.4.1. De Afdeling is van oordeel dat in dit geval de informatie die een medewerker van de AID zou hebben verstrekt zozeer afweek van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Beschikking neergelegde bepalingen, dat het op de weg van [appellant] had gelegen om nadere informatie in te winnen. In dit verband acht de Afdeling het mede van belang dat de minister ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het weekendverbod in overleg met de sector tot stand is gekomen, zodat [appellant] op de hoogte had kunnen zijn van de inhoud hiervan. Nu [appellant] heeft nagelaten dergelijke nadere informatie in te winnen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, zodat de minister hierin geen grond heeft hoeven vinden om af te zien van het schorsen van de vergunning.

2.5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat een schorsing van de garnalenvergunning voor twee weken moet worden aangemerkt als maximumsanctie. Nu hij niet in Nederlandse wateren gevist heeft gedurende het weekendverbod, is het opleggen van een schorsing van twee weken, volgens [appellant], onevenredig in verhouding tot de ernst van de overtreding.

2.5.1. Dit betoog faalt. Gelet op hetgeen in 2.3.1. en 2.3.2. is overwogen, was de minister ingevolge artikel 11, negende lid, van de Beschikking bevoegd om de garnalenvergunning voor de in de Beschikking genoemde duur te schorsen. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit dit artikellid niet dat de schorsing van twee weken moet worden aangemerkt als maximumsanctie. In dit verband is van belang dat anders dan in het geval van voorschriften die wel zodanige sancties bevatten, niet is vermeld dat de schorsing "ten hoogste" of "maximaal" twee weken bedraagt.

In de omstandigheid dat [appellant] niet in Nederlandse wateren heeft gevist, heeft de rechtbank, nu ook het buiten de haven zijn met een vaartuig dat enig vistuig aan boord heeft dat geschikt is voor het vangen van garnalen onder het weekendverbod valt, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat een schorsing voor de duur van twee weken onevenredig is in verhouding met de ernst van de overtreding.

2.6. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de minister desgevraagd ter zitting verklaard dat hij in beginsel tegen alle overtredingen van het weekendverbod handhavend zal optreden. Dat tegen een aantal overtredingen eerst is opgetreden nadat [appellant] de minister hierop had gewezen, kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor zover [appellant] voorts stelt dat tegen overtredingen van andere vissers niet handhavend is opgetreden, terwijl het om gelijke gevallen gaat, heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt, zodat reeds hierom geen grond bestaat voor het aannemen van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

176-538.