Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200802892/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 3 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan de bewoners van het woonwagencentrum Escamplaan te Den Haag meegedeeld de gebruiksrelatie met betrekking tot hun standplaatsen aan de Escamplaan op te zeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802892/2.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de vereniging Woonwagencentrum Escamplaan en anderen, gevestigd, onderscheidenlijk wonend te Den Haag,

verzoekers,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/86 en 08/1999 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 april 2008 in het geding tussen:

de vereniging Woonwagencentrum Escamplaan en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij brieven van 3 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan de bewoners van het woonwagencentrum Escamplaan te Den Haag meegedeeld de gebruiksrelatie met betrekking tot hun standplaatsen aan de Escamplaan op te zeggen.

Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college het door de vereniging Woonwagencentrum Escamplaan en alle bewoners (hierna: de vereniging e.a.) daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, voor zover thans van belang, het door de vereniging e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vereniging e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben de vereniging e.a. de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 mei 2008, waar de vereniging e.a., vertegenwoordigd door een aantal bewoners, bijgestaan door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en [partij], en het college, vertegenwoordigd door K. Regterschot, ambtenaar in dienst van de gemeente, bijgestaan door mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek strekt er naar de voorzitter begrijpt toe de werking van het gestelde in de brieven van 3 september 2007 te schorsen.

2.3. In hetgeen de vereniging e.a. naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Daarbij wordt overwogen dat in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure in het midden kan blijven welke betekenis moet worden gehecht aan de omstandigheid dat het college ontheffingen als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet (oud) heeft verleend aan de bewoners van het woonwagencentrum voor de gestelde toepasselijkheid van het overgangsrecht van de Woonwagenwet (oud), nu artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vereist dat sprake is van een beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg. De tekst en strekking van de brieven van 3 september 2007 duiden er naar het oordeel van de voorzitter op dat hiervan geen sprake is. Veeleer volgt uit deze brieven dat het college heeft beoogd civielrechtelijke betrekkingen op te zeggen dan wel mededeling heeft gedaan van feitelijke handelingen ter voorbereiding van civielrechtelijke ontruimingsprocedures. Daar komt bij dat in de civielrechtelijke procedures over de beoogde beëindiging van het woonwagencentrum door de civiele rechter tot nu toe niet is geoordeeld dat het voor de ontruiming van de standplaatsen nodig is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb te nemen.

2.4. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

419.