Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD3068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
200803127/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt (hierna: het college) aan [vergunninghouders] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het vergroten van de woning door middel van een aanbouw en het gedeeltelijk gebruiken van deze aanbouw als kapsalon op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803127/2.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/383 en 08/384 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 31 maart 2008 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt (hierna: het college) aan [vergunninghouders] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het vergroten van de woning door middel van een aanbouw en het gedeeltelijk gebruiken van deze aanbouw als kapsalon op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2008, verzonden op 22 april 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 januari 2008 vernietigd voor zover dat ziet op de verleende vrijstelling ten aanzien van het gebruik van het te bouwen bijgebouw als kapsalon, het besluit van 9 oktober 2007 herroepen voor zover dat ziet op de verleende vrijstelling ten aanzien van het gebruik van het te bouwen bijgebouw als kapsalon en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 mei 2008, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door drs. C. Atema, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.F.M. Jungerman, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [naam een der vergunninghouders], in persoon en bijgestaan door mr. C. Lubben.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek strekt ertoe de door het college genomen besluiten van 9 oktober 2007 en 22 januari 2008 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, nu op korte termijn met de bouwwerkzaamheden zal worden aangevangen.

[verzoeker] voert daartoe onder meer aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de op het perceel te starten kapsalon dient te worden aangemerkt als een aan-huis-verbonden-beroep. Hij voert voorts aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte het voorziene bouwwerk heeft aangemerkt als bijgebouw, aangezien sprake is van een uitbreiding van het hoofdgebouw.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Minnertsga de Bôle III" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 4, onder A, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - zijn de op de kaart als woondoeleinden aangewezen gronden bestemd voor:

1. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep;

2. aan- en uitbouwen;

3. bijgebouwen.

Onder B, eerste lid, zijn bebouwingsbepalingen voor het bouwen van hoofdgebouwen opgenomen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 18, van de planvoorschriften wordt onder een aan-huis-verbonden-beroep verstaan een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten.

Voorts is op het perceel van toepassing het thematisch bestemmingsplan "Bijgebouwenregeling" (hierna: de Bijgebouwenregeling), nu de in deze regeling opgenomen voorschriften de voorschriften betrekking hebbende op de bijgebouwenregeling in het bestemmingsplan vervangen.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 2, van de Bijgebouwenregeling zal de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per woning ten hoogste 60 m2 bedragen.

2.4. Op voorhand bestaat onvoldoende zekerheid of het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college in redelijkheid met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 vrijstelling heeft kunnen verlenen van de Bijgebouwenregeling, in de bodemprocedure stand zal houden. Er bestaat gerede twijfel of het voorziene bouwwerk een bijgebouw is als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 2, van de Bijgebouwenregeling. Gelet op de nagenoeg gelijke hoogte van het voorziene bouwwerk, de vergelijkbare kapconstructie alsmede de aanduiding van het bouwwerk op de bouwtekening als kapsalon, bijkeuken en toilet op de begane grondvloer en als studie en slaapkamer op de verdiepingsvloer is niet buiten twijfel of sprake is van functionele en bouwkundige ondergeschiktheid aan het hoofdgebouw. Nu de bouwkundige ondergeschiktheid in twijfel is, acht de voorzitter het voorts onzeker of sprake is van een aanbouw. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat het college het bouwplan, waarvoor vrijstelling is verleend, niet aan de juiste planvoorschriften heeft getoetst. De voorzitter laat het oordeel over de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een aan-huis-verbonden-beroep aan de Afdeling in de bodemprocedure.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat drs. C. Atema, gelet op de door hem overgelegde statuten van de stichting Stichting Bok-die-leit, bestuursrechtelijk steunfunctiebureau, kan worden aangemerkt als een rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van 22 januari 2008 en 9 oktober 2007;

II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 689,18 (zegge: zeshonderdnegenentachtig euro en achttien cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Het Bildt aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Het Bildt aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

374.