Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200703614/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 15 november 2006, in zaak nr. 200510069/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 oktober 2005 in zaak nrs. 05-599 en 05-624 bevestigd, het beroep van [verzoeker] en [partij A] (hierna: [verzoekers]) tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zeevang (hierna: het college) van 5 april 2006, kenmerk 5/4/2006, ongegrond verklaard, de beroepen van [partij B] en [partij C] gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703614/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2006, in

zaak nr. 200510069/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 15 november 2006, in zaak nr. 200510069/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 oktober 2005 in zaak nrs. 05-599 en 05-624 bevestigd, het beroep van [verzoeker] en [partij A] (hierna: [verzoekers]) tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zeevang (hierna: het college) van 5 april 2006, kenmerk 5/4/2006, ongegrond verklaard, de beroepen van [partij B] en [partij C] gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Bij afzonderlijke brieven van 28 juni 2007 hebben [partij B] en [partij C] een reactie gegeven op het verzoek om herziening.

Bij brief van 29 juni 2007 heeft het college een reactie gegeven op het verzoek om herziening.

[partij B], [partij C] en [verzoeker] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en vergezeld door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.R. Nieman en drs. M.E. Smit, burgemeester, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [partij B], in persoon, en [partij C], bijgestaan door J.A. Mollet.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. Ten aanzien van het besluit van 5 april 2006 heeft de Afdeling in de uitspraak van 15 november 2006 overwogen dat geen grond kon worden gezien voor het oordeel dat het college zich in dat besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat [verzoekers] bij de bouwaanvraag voor het plaatsen van een overkapping op het perceel [locatie] te [plaats] bewust onjuiste of onvolledige informatie hebben verschaft.

2.2.1. [verzoeker] betoogt dat het college ten tijde van het besluit op bezwaar van 5 april 2006 en in de hoger beroepprocedure een onjuiste en onvolledige voorstelling van feiten en omstandigheden heeft gegeven over de bouwaanvraag. Hij wijst daarbij op een door D.T. den Hartog, voormalig burgemeester van Zeevang, W. Vos, voormalig wethouder van Zeevang en W. Hooijberg, voormalig ambtenaar van de gemeente Zeevang, ondertekende verklaring van 14 mei 2007.

2.2.2. In de verklaring stellen deze personen, die alle betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het primaire besluit van 17 augustus 2004 en het eerste besluit op bezwaar van 11 januari 2005, dat naar hun stellige overtuiging [verzoeker] altijd volledige openheid van zaken heeft gegeven over het voornemen een paardenfokkerij op het perceel te starten en dat hij nimmer onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft.

Deze verklaring komt erop neer dat betrokkenen te kennen geven dat de besluiten van 17 augustus 2004 en 11 januari 2005 naar hun mening op grond van juiste informatie zijn genomen en dat zij een andere visie hebben op de gang van zaken rond de bouwaanvraag dan de visie van het college, zoals neergelegd in het tweede besluit op bezwaar van 5 april 2006, en dat zij het om die reden niet met dat besluit eens zijn. Het besluit van 5 april 2006 was mede aan de orde in het geding dat heeft geleid tot de uitspraak van 15 november 2006. Genoemde verklaring had toen reeds kunnen worden overgelegd. Van feiten en omstandigheden die [verzoeker] vóór de uitspraak van de Afdeling niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, is dan ook geen sprake. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G.J. van Muijen en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

163-530.