Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200704373/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704373/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 17 januari 2007 in zaak nr. 200603909/1 heeft de Afdeling het tegen dit besluit door [appellant] (hierna: [appellant]) ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 4 april 2006 vernietigd.

Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het college opnieuw aan [vergunninghouder] een revisievergunning verleend. Dit besluit is op 17 mei 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juli 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. B. Maat, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door C.E.M. van den Akker-Hartmans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft onder meer betrekking op het houden van 1.140 vleesvarkens in het Groen Labelstalsysteem met nummer BB 99.06.076: chemisch luchtwassysteem met 95% emissiereductie en op het houden van 1.296 vleesvarkens in het Groen Labelstalsysteem met nummer BB 96.10.043V1: chemisch luchtwassysteem met 70% emissiereductie.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met bij ministeriële regeling aangewezen documenten, waarin door de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 16, tweede lid, van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging bekendgemaakte informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken is opgenomen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de Regeling) worden als documenten waarmee het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is aangevraagd, het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de bepaling van de voor de inrichting of lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening houdt, aangewezen de documenten, vermeld in de tabellen 1 en 2, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Regeling wordt met de in tabel 1 van de bijlage vermelde documenten in ieder geval rekening gehouden, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installaties betreft.

Ingevolge tabel 1 bij de Regeling, onder 6.6b, is voor installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg) als het primair relevante BREF-document het BREF Intensieve veehouderij aangewezen. Hiermee doelt de Regeling op het "Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs", dat de Europese Commissie in juli 2003 bekend heeft gemaakt (hierna: het BREF-document).

2.3. In de uitspraak van 17 januari 2007 heeft de Afdeling overwogen dat de aangevraagde luchtwassystemen - nageschakelde technieken ter beperking van de ammoniakemissie - wat betreft de werking en de te behalen milieuvoordelen overeen komen met onderscheidenlijk de systemen 4.6.5.2 en 4.6.5.1 die in het BREF-document zijn opgenomen.

De Afdeling heeft voorts overwogen dat deze systemen, hoewel ze in het BREF-document niet als de beste beschikbare technieken worden aangemerkt, onder omstandigheden wel als de beste beschikbare technieken kunnen worden beschouwd, doch dat het college geen rekening heeft gehouden met de nadelige gevolgen voor het milieu door het hoog energieverbruik en het van het chemisch luchtwassysteem afkomstige afvalwater, bijvoorbeeld door het verbinden van voorschriften aan de vergunning ter beperking van deze nadelen. De Afdeling heeft daarom het besluit van 4 april 2006 met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in strijd geacht.

2.4. [appellant] betoogt dat het bestreden besluit niet met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2007 is genomen. Volgens hem zijn de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften die betrekking hebben op afvalwater en energieverbruik identiek aan de voorschriften die verbonden waren aan het vernietigde besluit van 4 april 2006. Deze voorschriften zijn volgens [appellant] niet concreet genoeg om de nadelige gevolgen voor het milieu te kunnen beperken en eventuele handhaving mogelijk te maken.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200700553/1) behoren chemische luchtwassystemen tot de in de stallen van intensieve veehouderijen algemeen gebruikte en geaccepteerde systemen en kunnen deze systemen, ondanks de nadelige neveneffecten ervan zoals het energieverbruik en het ontstaan van afvalwater, in de regel tot de beste beschikbare technieken worden gerekend.

Het college heeft bij het bestreden besluit een door [vergunninghouder] overgelegde brief van Van Dun Advies B.V. van 8 maart 2007 betrokken waarin uiteen is gezet dat het energieverbruik zoveel mogelijk wordt beperkt door het gebruik van energiezuinige pompen en een frequentieregelaar op ventilatoren, en dat de nadelige gevolgen voor het milieu van het spuiwater worden beperkt doordat dit water wordt opgevangen en opgeslagen in een tank. De conclusie van genoemde brief is dat chemische luchtwassers kunnen worden aangemerkt als de beste beschikbare technieken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich mogen baseren op de feitelijke uitgangspunten in deze brief en heeft het college afdoende gemotiveerd dat - de aspecten energie en afvalwater in aanmerking genomen - de vergunde chemische luchtwassers voldoen aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet met inachtneming van de uitspraak van 17 januari 2007 tot stand is gekomen en dat het college ten onrechte vergunning heeft verleend. Dat het college bij het bestreden besluit geen extra voorschriften heeft opgenomen maakt dit niet anders.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

373-491.