Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200705981/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de raad van de gemeente Zeevang (hierna: de raad) het verzoek van [appellant sub 2] en [wederpartij] om vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een agrarische bedrijfswoning met garage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705981/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Zeevang,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats] (Duitsland),

tegen de uitspraak in zaak nr. 06-5621 van de rechtbank Haarlem

van 12 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en [wederpartij],

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Zeevang,

2. de raad van de gemeente Zeevang.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de raad van de gemeente Zeevang (hierna: de raad) het verzoek van [appellant sub 2] en [wederpartij] om vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een agrarische bedrijfswoning met garage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 30 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeevang (hierna: het college) geweigerd [appellant sub 2] en [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een agrarische bedrijfswoning met garage op het perceel.

Bij besluit van 25 april 2006 heeft het college het door [appellant sub 2] en [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 30 december 2004.

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft de raad het door [appellant sub 2] en [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 december 2004.

Bij uitspraak van 12 juli 2007, verzonden op 16 juli 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 2] en [wederpartij] tegen de besluiten van 25 april 2006 en 9 mei 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het college, opnieuw beslissend, het door [appellant sub 2] en [wederpartij] tegen het besluit van 30 december 2004 gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard en de bouwvergunning geweigerd.

Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Het college heeft de gronden van zijn hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007.

Het college en [appellant sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

Tegen het besluit van 10 augustus 2007 en het uitblijven van een nieuw besluit van de raad op bezwaar, voor zover dat bezwaar is gericht tegen het besluit van 16 december 2004, heeft [appellant sub 2] beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.R. Nieman en drs. M.E. Smit, burgemeester, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en vergezeld door W. Hooijberg, W. Vos, J. van Voorst en M. Havik, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd op grond van strijd met artikel 17 van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Middelie-Dorpsweg 1975". Het betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de toepassing van artikel 17 van de planvoorschriften de buiten de grenzen van dat plan gelegen voormalige bedrijfswoning buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.1.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden (Aa)".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de planvoorschriften wordt onder agrarische bedrijven verstaan: bedrijven, gericht op ooft-, tuin-, of akkerbouw, alsmede veehouderij en weidebedrijven, mits de exploitatie van deze bedrijven grotendeels gebonden is aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige gronden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, wordt onder een agrarische bedrijfswoning verstaan: een woning, liggend op het erf van een agrarisch bedrijf, kennelijk slechts bestemd voor de huisvesting van (het gezin van) een persoon, werkzaam bij het betrokken agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "Bebouwing voor agrarische doeleinden (Aa)" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik en de voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse nodige bouwwerken, uitgezonderd kassen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, wordt ten aanzien van de bebouwing van de in het eerste lid bedoelde gronden bepaald dat per op de kaart aangegeven bebouwingsvlak slechts één bedrijfswoning mag worden gebouwd.

Ingevolge artikel 17 worden woonhuizen gerekend te blijven behoren tot het bedrijf waartoe zij bij de bouw behoorden, tenzij het bedrijf is gesplitst ten gevolge van een ander bodemgebruik.

2.1.2. Vaststaat dat op het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak op het perceel geen bedrijfswoning aanwezig is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de op het perceel Middelie 42 gelegen woning gezien artikel 17 van de planvoorschriften aan het perceel moet worden toegerekend. Weliswaar maakte het agrarisch bebouwingsvlak op het perceel oorspronkelijk deel uit van een groter bebouwingsvlak, waarop ook de woning Middelie 42 was gelegen, maar na beëindiging van het agrarisch bedrijf heeft de grond waarop die woning is gelegen, in het bestemmingsplan "Middelie 1993" de bestemming "Woning met tuinen en erven (Wc)" gekregen. De rest van het bebouwingsvlak is deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Middelie-Dorpsweg 1975" met bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden". Door dit uitdrukkelijke besluit van de planwetgever kan de betreffende woning niet langer worden aangemerkt als een woonhuis dat wordt gerekend te blijven behoren tot het bedrijf waartoe het bij de bouw behoorde als bedoeld in artikel 17 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Middelie-Dorpsweg 1975".

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank, gezien artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van die planvoorschriften, terecht heeft overwogen dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd op grond van strijd met artikel 17.

2.2. Het college heeft aangevoerd dat artikel 2.5.2 van de Bouwverordening van de gemeente Zeevang eveneens aan de verlening van de bouwvergunning in de weg staat. Deze weigeringsgrond is niet aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd, zodat aan hetgeen het college thans heeft betoogd geen betekenis toekomt.

2.3. [appellant sub 2] voert aan dat de rechtbank de besluiten van 25 april 2006 en 9 mei 2006 weliswaar terecht heeft vernietigd, maar ten onrechte niet ook de besluiten van 16 december 2004 en 30 december 2004 heeft herroepen. Hij stelt zich op het standpunt dat het college die besluiten had moeten herroepen, omdat, nu het bouwplan niet in strijd met artikel 17 van het bestemmingsplan is, van rechtswege bouwvergunning is verleend.

2.3.1. Dit betoog faalt. De weigering om voor het bouwplan vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, is met name gebaseerd op artikel 17 van de planvoorschriften. Met het oordeel van de rechtbank dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd op grond van strijd met dat artikel, omdat op het bebouwingsvlak op het perceel nog geen bedrijfswoning aanwezig is, stond nog niet vast dat het bouwplan ook voor het overige in overeenstemming met het bestemmingsplan is. De rechtbank heeft de primaire besluiten dan ook terecht niet herroepen.

2.4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het college, opnieuw beslissend, het door [appellant sub 2] en [wederpartij] tegen het besluit van 30 december 2004 gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard en de bouwvergunning geweigerd. Het door [appellant sub 2] tegen dit besluit ingestelde beroep is eveneens onderwerp van dit geding.

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat het college in het besluit van 10 augustus 2007 ten onrechte het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht omdat hij ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning geen volwaardig agrarisch bedrijf exploiteerde op het perceel.

2.6.1. In het besluit van 10 augustus 2007 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] en [wederpartij] op het perceel geen volwaardig agrarisch bedrijf exploiteerden. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college te kennen gegeven dat destijds op het perceel, zoals ook staat vermeld in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 december 2004, zelfs geen startend bedrijf ter plaatse aanwezig was.

[appellant sub 2] heeft weliswaar terecht betoogd dat artikel 10 van de planvoorschriften niet vereist dat het uit te oefenen agrarisch bedrijf een volwaardig agrarisch bedrijf is, maar dit leidt niet tot vernietiging van het besluit van 10 augustus 2007, omdat het college, gezien de in dat besluit genoemde feiten en omstandigheden, het terecht onvoldoende aannemelijk heeft geacht dat de bedrijfswoning op het perceel was voorzien ten behoeve van de exploitatie van een ter plaatse aanwezig agrarisch bedrijf door [appellant sub 2] en [wederpartij]. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.7. [appellant sub 2] betoogt dat het college het besluit niet heeft mogen nemen, aangezien de raad nog geen beslissing heeft genomen op het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2004, waarbij is geweigerd vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.7.1. Dit betoog slaagt. Het college heeft in de beslissing op bezwaar aan de vaststelling dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan ten onrechte de conclusie verbonden dat bij het besluit van 30 december 2004 reeds daarom terecht geweigerd is bouwvergunning te verlenen. De raad heeft immers nog geen beslissing genomen op het door [appellant sub 2] ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 16 december 2004, waarbij geweigerd is vrijstelling te verlenen. Het college heeft derhalve ondeugdelijk gemotiveerd waarom terecht is geweigerd bouwvergunning te verlenen. De aan de orde zijnde beslissing op bezwaar is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2007 gegrond en zal de Afdeling het besluit vernietigen.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de door [appellant sub 2] naar de zitting meegebrachte getuigen bestaat geen aanleiding, reeds nu deze niet zijn gehoord.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zeevang van 10 augustus 2007, kenmerk 999;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zeevang tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep van dat college en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.007,78 (zegge: duizend zeven euro en achtenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zeevang aan [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Zeevang aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

VI. bepaalt dat van de gemeente Zeevang een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G.J. van Muijen en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

163-530.