Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200707469/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de aan [appellant] afgegeven verklaring van geen bezwaar (hierna: de verklaring) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707469/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1532 van de rechtbank Dordrecht van 14 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de aan [appellant] afgegeven verklaring van geen bezwaar (hierna: de verklaring) ingetrokken.

Bij besluit van 29 november 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 januari 2008 heeft [appellant] de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de Wiv) om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. F.H.L. Vossen, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo), zoals die gold ten tijde van belang, omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens betreffende persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de minister, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, is de minister bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

2.2. De minister heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit om de verklaring in te trekken doen steunen op de constatering dat [appellant] op verschillende wijzen heeft gehandeld in strijd met de geldende afspraken en instructies. Deze gedragingen zijn door verschillende informanten onafhankelijk van elkaar waargenomen. Voorts wordt hem de wijze waarop hij op 20 maart 2006 een collega heeft bejegend tegengeworpen. Ten slotte zijn de overige in het besluit van 7 juli 2006 genoemde gedragingen van aanvullend belang.

2.3. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de verklaring heeft kunnen intrekken. Hij acht het feit dat hij nooit is aangesproken op zijn functioneren niet te verenigen met de stelling dat hij op verschillende wijzen heeft gehandeld in strijd met geldende afspraken en instructies. Op wat hij ten aanzien van het voorval op 20 maart 2006 heeft aangevoerd, is de rechtbank naar de mening van [appellant] ten onrechte niet ingegaan. De aangevallen uitspraak is voorts onvoldoende gemotiveerd waar de rechtbank heeft verzuimd het verweer van [appellant] wat betreft de als "niet-dragend"omschreven gronden te weerleggen.

2.4. [appellant] heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 mei 2006 in zaak nr. 200507677/1) heeft hij daardoor de rechtbank de mogelijkheid ontnomen de rechtmatigheid van het besluit van de minister volledig te toetsen. De gevolgen van een dergelijke weigering dienen in beginsel voor rekening van [appellant] te komen. In wat hij heeft aangevoerd is geen reden gelegen hierop een uitzondering te maken. De rechtbank heeft derhalve kunnen volstaan met de overweging dat naar haar oordeel hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter betwisting niet zodanig is dat het besluit van 29 november 2006 niet in stand kan worden gelaten.

2.5. Na met toepassing van artikel 87, eerste lid, van de Wiv van de resultaten van het onderzoek te hebben kennisgenomen, is de Afdeling van oordeel dat de minister zich op grond van alle daarin genoemde feiten, gedragingen en omstandigheden, in onderling verband bezien, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Het feit dat [appellant] door zijn leidinggevenden niet eerder is aangesproken op zijn functioneren, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. De beoordeling van het functioneren van [appellant] is een rechtspositionele aangelegenheid, die is voorbehouden aan zijn werkgever. Een dergelijke beoordeling of het achterwege laten daarvan staat de aan de minister in het kader van het veiligheidsonderzoek toekomende bevoegdheid om te beoordelen of voldoende waarborgen aanwezig zijn dat hij de uit zijn functie voortvloeiende verplichtingen getrouwelijk zal volbrengen, niet in de weg. Ook het door [appellant] gestelde feit dat hij in verband met arbeidsongeschiktheid niet in functie was ten tijde van het voorval op 20 maart 2006, is voor de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel nu het voorval zelf niet wordt bestreden en ook gedragingen en gebeurtenissen buiten de sfeer van de feitelijke functievervulling van betekenis kunnen zijn voor de vraag of de bij artikel 10, eerste lid, van de Wvo bedoelde waarborgen aanwezig zijn. Wat [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de overige in het besluit genoemde gedragingen geeft geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat die gedragingen voor de motivering van het besluit van aanvullend belang zijn. Niet valt in te zien waarom deze gronden niet in de beoordeling van de minister betrokken zouden mogen worden.

Gelet op het vorenstaande sluit de Afdeling aan bij het oordeel van de rechtbank dat de minister op goede gronden tot het intrekken van de verklaring van geen bezwaar heeft kunnen komen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

290.