Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706251/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] lichte bouwvergunning verleend voor het bouwen van een overkapping en een erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706251/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2489 van de rechtbank Maastricht van 30 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] lichte bouwvergunning verleend voor het bouwen van een overkapping en een erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college het door [appellant] (hierna: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door J.E. Day, ambtenaar in dienst van de gemeente, en vergunninghouder, bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. [appellant] is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet, voor zover thans van belang, in het bouwen van een terrasoverkapping op het perceel.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Ingevolge artikel 44, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag slechts en moet de lichte bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingplan "Steenweg e.o." (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop de overkapping is voorzien de bestemming "Erf".

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de planvoorschriften, mag op de als zodanig bestemde gronden, behoudens het bepaalde in artikel 45, geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van andere bouwwerken welke qua aard en afmeting passen bij de bestemming.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op de als "Erf" aangegeven gronden behorende bij de bebouwingsoppervlakken van de bebouwingsklasse EC per woning worden gebouwd: een of meer andere bijgebouwen, waarvan de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 25 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder "ander bouwwerk" verstaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan niet kan worden aangemerkt als een ander bouwwerk dat qua aard en omvang past bij de bestemming "Erf". De overkapping heeft een oppervlakte van meer dan 25 m² en is derhalve in strijd met artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, aldus [appellant].

2.3.1. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Gelet hierop, en op het feit dat in de modelbouwverordening een bruikbare definitie is gegeven, is in de jurisprudentie van de Afdeling bij herhaling aansluiting gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie van het begrip "bouwwerk". Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". Gezien deze definitie dient de terrasoverkapping als bouwwerk te worden aangemerkt; dit niet alleen vanwege de omvang en de verbinding met de grond, maar ook omdat de overkapping voor langere tijd op één plaats aanwezig is en deze ter plaatse aldus duurzaam functioneert. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de overkapping niet kan worden aangemerkt als een gebouw in de zin van de Woningwet. Gesteld noch gebleken is dat dit oordeel onjuist is. De rechtbank is dan ook met juistheid tot de conclusie gekomen dat het college de terrasoverkapping terecht heeft aangemerkt als een ander bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de planvoorschriften. Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien mogen andere bouwwerken worden opgericht welke qua aard en afmeting passen bij de bestemming "Erf". Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan qua aard en omvang past bij de bestemming "Erf". De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de terrasoverkapping in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Het betoog van [appellant] faalt.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat is gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning. De vraag of in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd is slechts van betekenis in het kader van een eventueel verzoek om handhaving. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

494.