Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD2634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
200706243/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/250
TBR 2008/125 met annotatie van B. Rademaker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706243/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2582 van de rechtbank Zwolle van 20 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 29 december 2004 herroepen en alsnog geweigerd aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel.

Bij uitspraak van 20 juli 2007, verzonden op 30 juli 2007, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het door onder meer [appellant] (hierna: [appellant]) daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. B. Hamburger, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Bos, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Groene Velden" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Randstedelijk gebied II".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig bestemde gronden bestemd voor agrarische bedrijven ten behoeve van het voortbrengen van producten door middel van het telen of kweken van gewassen, glastuinbouw, het fokken of kweken van dieren - met uitzondering van tweehoevigen -, alsmede ten behoeve van een informatiecentrum, voorbeeldtuinen, detailhandel in tuininrichtingsartikelen, met inbegrip van ontsluitingswegen, parkeergelegenheid, beplanting en groensingels.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat bij een bedrijf één bedrijfswoning mag worden gebouwd met een inhoud van ten hoogste 750 m³.

Ingevolge artikel 1, onder q, van de planvoorschriften wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein gewenst is.

Ingevolge artikel 1, onder r, van de planvoorschriften wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 1, onder r1, van de planvoorschriften wordt onder semi-agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf gericht op de handel in bloemen en planten en/of de bewaring van en/of sportbeoefening met dieren, zoals een tuincentrum, hondenkennel en - africhtsalon, pony- of paardenhouderij, manege.

2.2. Het geschil spitst zicht toe op de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwplan voorziet in het realiseren van een woning ten behoeve van de uitoefening van een reëel (semi-) agrarisch bedrijf.

2.3. Op grond van de uitspraak van de rechtbank van 20 april 2006 in zaak nr. 05/1769 diende het college alvorens een nieuw besluit op bezwaar te nemen nader te onderzoeken of het te realiseren bedrijf van [appellant] na het schrappen van een aantal van de voorgenomen bedrijfsactiviteiten uit het op 11 november 2004 overgelegde ondernemingsplan nog was aan te merken als een reëel (semi-)agrarisch bedrijf. Teneinde uitvoering te geven aan die uitspraak heeft het college [appellant] op 5 oktober 2006 en 7 december 2006 telefonisch verzocht om een nieuw, beter onderbouwd, bedrijfs- of ondernemingsplan over te leggen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college hiermee op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.

2.4. Zoals ter zitting van de rechtbank is bevestigd, heeft [appellant] geweigerd een nieuw, beter onderbouwd, bedrijfs- of ondernemingsplan over te leggen. Ten tijde van het besluit op bezwaar bestond dientengevolge bij het college onvoldoende duidelijkheid of het bouwplan voorziet in het realiseren van een woning ten behoeve van de uitoefening van een reëel (semi-)agrarisch bedrijf. Omdat het bestemmingsplan het bouwen van een woning op het perceel niet zonder meer toestaat, maar slechts indien sprake is van een bedrijfswoning, brengt artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht mee dat het op de weg van [appellant] lag gegevens en bescheiden te verschaffen waaruit het college kon blijken dat de woning in overeenstemming met het bestemmingsplan zal worden opgericht ten behoeve van de uitoefening van een reëel (semi)agrarisch bedrijf. Nu [appellant] heeft geweigerd zodanige gegevens en bescheiden te verschaffen en niet aannemelijk is dat deze weigering geheel en al is terug te voeren op bij [appellant] bestaande onduidelijkheid over de gegevens en bescheiden die van hem werden verlangd heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is, omdat de woning niet als bedrijfwoning in de zin van de planvoorschriften kan worden aangemerkt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008

494.